HR 27 september 2019 ECLI:NL:HR:2019:1449

De Hoge Raad heeft met onmiddellijke ingang rookruimtes in cafés verboden door een uitzondering op het verbod op roken in overdekte openbare plaatsen in art. 6.2 sub b Tabaks- en rookwarenbesluit (gebaseerd op art. 10 lid 2 Tabaks- en rookwarenwet) onverbindend te achten.

De anti-rookvereniging Clean Air Nederland (CAN) had hiertoe een vordering ingediend tegen de Staat. Zij was al eerder succesvol in haar vordering tegen de Staat om een uitzondering voor roken in kleine cafés in dezelfde AMvB onverbindend te verklaren. De Hoge Raad had in die zaak aangenomen dat art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag (Trb. 2004, 269) omtrent blootstelling aan tabaksrook in de context van dat geval rechtstreekse werking had (HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2928 (Staat/CAN) zie CB 2014-165). Art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag gelast lidstaten om blootstelling aan tabaksrook in ‘indoor public places’ zoveel mogelijk te voorkomen, zonder daarvoor overigens precieze maatregelen of een bepaalde termijn voor te schrijven. In andere ons omringende landen, die ook partij zijn bij het verdrag, worden rookruimtes bijvoorbeeld nog toegelaten. In die zaak achtte de Hoge Raad relevant dat eerst een algeheel verbod op roken in kleine cafés had gegolden maar daar later op was teruggekomen. Dat was volgens de Hoge Raad in strijd met het verdrag. In deze zaak lijkt de Hoge Raad nog stelliger. Onder verwijzing naar zijn eerdere arrest oordeelt hij dat art. 8 lid 2 WHO-Kaderverdrag ook in deze context rechtstreekse werking heeft:

Terecht heeft het hof beslist dat er geen grond is om met betrekking tot horeca-instellingen in het algemeen tot een ander oordeel te komen. Niet alleen kleine cafés, maar ook andere horeca-instellingen zijn immers te rekenen tot openbare gebouwen (‘indoor public places’) in de zin van art. 8 lid 2 WHO Kaderverdrag. Ook voor als rookruimtes aangewezen ruimtes in horeca-instellingen geldt daarom de bescherming van die bepaling. Art. 8 lid 2 WHO Kaderverdrag leent zich met betrekking tot die ruimtes dan ook eveneens voor directe werking, overeenkomstig de criteria die de Hoge Raad daarvoor heeft geformuleerd in zijn eerdere arrest tussen partijen.

Vervolgens concludeert de Hoge Raad dat de Staat niet in overeenstemming met het verdrag heeft gehandeld en lang genoeg de tijd heeft gehad om maatregelen te nemen, zodat de uitzondering voor rookruimtes in cafés onverbindend is. Opvallend is dat de Staat al had aangekondigd dat rookruimtes per 2022 zouden worden verboden, maar kennelijk achtte de Hoge Raad dat niet toereikend:

Gelet op het eerdere arrest van de Hoge Raad tussen partijen heeft het hof voorts terecht tot uitgangspunt genomen dat het nog niet tot stand brengen van het ingevolge art. 8 lid 2 WHO Kaderverdrag te bereiken resultaat, gerechtvaardigd kan zijn op de grond dat de Staat een redelijke tijd moet worden gelaten om een dergelijke verdragsverplichting na te komen, of op de grond dat in beginsel voor de Staat de mogelijkheid bestaat om in verband met andere belangen overgangsmaatregelen te treffen bij de nakoming van een dergelijke verdragsverplichting.

Anders dan de onderdelen betogen, doet aan eerstgenoemde mogelijkheid niet af dat het WHO Kaderverdrag geen bepaling bevat over de termijn waarbinnen het ingevolge art. 8 lid 2 WHO Kaderverdrag tot stand te brengen resultaat moet zijn bereikt. Het is immers juist vanwege het ontbreken van die vaste termijn dat hier een redelijke tijd geldt. Het oordeel van het hof (…) dat de Staat een redelijke tijd, zoals hier bedoeld, reeds heeft gehad, nu het verdrag voor Nederland al in werking is getreden in 2005, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, mede gelet op het door het hof vastgestelde en door het middel niet bestreden feit dat de Staat geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd waarom in dit geval een langere termijn nodig zou zijn voor de nakoming van de onderhavige verdragsverplichting.

De Staat is in cassatie bijgestaan door de auteur.

Share This