Selecteer een pagina

HR 2 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2740

Op grond van art. 2:353 lid 2 BW kan de Ondernemingskamer bepalen dat een onderzoeksverslag voor een ieder ter inzage ligt. Noch uit de tekst, noch uit de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling volgt dat in dat geval geen afschrift aan een derde mag worden verstrekt. Een adequate invulling van de beslissing van de Ondernemingskamer tot (feitelijke) openbaarmaking van het verslag, brengt mee dat het verslag mag worden toegezonden aan een belangstellende die daartoe een verzoek heeft gedaan.

Achtergrond van deze zaak

De heer X houdt alle aandelen in en is bestuurder van RCM; mevrouw Y is zijn echtgenote. In 2010 heeft RCM een enquêteprocedure bij de Ondernemingskamer aanhangig gemaakt tegen een aantal vennootschappen, waaronder MEI. RCM hield 50% van de aandelen in MEI en de heer X was medebestuurder van MEI. De Ondernemingskamer heeft daarop allereerst een onderzoek bevolen naar het beleid van de vennootschappen en vervolgens op grond van art. 2:353 lid 2 BW beslist dat het door de onderzoeker uitgebrachte verslag voor een deel ter griffie voor een ieder ter inzage ligt en dat het andere deel (slechts) ter inzage ligt voor belanghebbenden. In 2014 heeft de Ondernemingskamer op het schriftelijk verzoek aan een advocaat in een andere zaak een kopie verstrekt van delen van het verslag dat voor een ieder ter inzage was gelegd. Deze kopie is vervolgens als productie ingebracht in een procedure waarbij RCM was betrokken.

De heer X en mevrouw Y stellen in deze procedure dat de Staat door het sturen van een kopie onrechtmatig heeft gehandeld nu art. 2:353 lid 2 BW daarvoor geen grondslag biedt. Het hof heeft, net als de rechtbank, de vorderingen van eisers afgewezen. De heer X en mevrouw Y hebben tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld.

Cassatie                                                                                                                 

In cassatie klagen zij dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat art. 2:353 lid 2 BW een grondslag biedt voor het verstrekken van een afschrift van het onderzoeksverslag dat voor een ieder ter inzage ligt, nu de bepaling enkel spreekt van terinzagelegging ter griffie.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep overeenkomstig de conclusie van Advocaat-generaal Timmerman en overweegt daartoe als volgt. Op grond van art. 2:353 lid 2 BW ontvangen in ieder geval de advocaat-generaal bij het ressortsparket, de rechtspersoon en de verzoekers en hun advocaten een exemplaar van het onderzoeksverslag. Daarnaast kan de Ondernemingskamer op grond van die bepaling onder meer bepalen dat het verslag voor een ieder ter inzage ligt. Art. 2:353 lid 3 BW bepaalt dat het aan anderen dan de rechtspersoon verboden is om mededelingen aan derden te doen uit het verslag voor zover dat niet voor een ieder ter inzage ligt. Dit laatste brengt mee dat een voor een ieder ter inzage gelegd onderzoeksverslag in feite openbaar is en dat het een ieder is toegestaan om aan derden mededelingen uit het verslag te doen. Blijkens de parlementaire geschiedenis is het daarbij aan de Ondernemingskamer om te bepalen wie van het verslag kennis kan nemen. Noch uit de tekst van art. 2:353 lid 2 BW, noch uit de totstandkomingsgeschiedenis daarvan volgt dat van een voor een ieder ter inzage gelegd onderzoeksverslag geen afschrift aan een derde mag worden verstrekt.

Dit strookt volgens de Hoge Raad ook met de eisen van de praktijk. Niet valt in te zien waarom in de huidige tijd van een belangstellende gevergd zou moeten worden dat hij persoonlijk (of zijn advocaat) naar de griffie van de Ondernemingskamer gaat om kennis te nemen van een voor een ieder ter inzage gelegd onderzoeksverslag. Een adequate invulling van de beslissing van de Ondernemingskamer tot (feitelijke) openbaarmaking van het verslag, brengt mee dat het verslag mag worden toegezonden aan een belangstellende die daartoe een verzoek heeft gedaan. Tot slot overweegt de Hoge Raad nog dat dit niet anders wordt doordat in art. 843a Rv een onderscheid wordt gemaakt tussen “inzage” en “afschrift” en dat in art. 28 Rv en art. 838 Rv wordt gesproken over het verstrekken van een afschrift.

De uitspraak is in lijn met de praktijk die de Ondernemingskamer sinds 2000 hanteert. Sindsdien maakt de Ondernemingskamer vaak gebruik van de bevoegdheid om het verslag voor een breder publiek ter inzage te leggen. Veelal gaat het daarbij om het ter inzage leggen van het verslag voor bepaalde belanghebbenden, maar als het verslag betrekking heeft op een beursgenoteerde onderneming of anderszins van maatschappelijk belang wordt geacht, wordt het verslag voor een ieder ter inzage gelegd. Vanaf 2012 publiceert de Ondernemingskamer deze voor een ieder ter inzage gelegde onderzoeksverslagen op haar website. Deze praktijk lijkt – gelet op de praktische invulling die de Hoge Raad aan art. 2:353 lid 2 BW geeft – eveneens toegestaan.

De Staat werd in cassatie bijgestaan door Karlijn Teuben en de auteur en in feitelijke instanties door Bert-Jan Houtzagers.

Share This