HR 28 september 2012, LJN  BW5613, BW5614, BW5615, BW5617, BW5619 (diverse eisers/provincie Zuid-Holland)

Indien de bestemming van het onteigende destijds in het bestemmingsplan is bepaald met het oog op een concrete (toekomstige) invulling van die bestemming, moet dat bestemmingsplan bij de waardebepaling van het onteigende worden weggedacht. De rechtbank heeft deze eliminatieregel (herkomst: HR 9 juli 2010, LJN BL1634) ten onrechte niet toegepast.

In deze zaken heeft de onteigening plaatsgevonden ten behoeve van de aanleg van een rotonde alsmede van de aanleg van de provinciale weg N217, met bijkomende werken, in de gemeente Binnenmaas en Oud-Beijerland.  Op de datum van de inschrijving van het onteigeningsvonnis (19 november 2008) golden volgens het in 2007 vastgestelde bestemmingsplan voor de onteigende gronden de bestemmingen “verkeersdoeleinden” en “natuur”. Zij waren toen in gebruik voor agrarische doeleinden.

De rechtbank heeft aan de onteigende gronden, in overeenstemming met de primaire waardering van de deskundigen, een waarde van € 6,– per m² toegekend. De deskundigen baseerden die waardering op de bestemming “verkeersdoeleinden” en het agrarisch gebruik van het onteigende. Het betoog van de onteigenden, dat een redelijk handelend koper die geen rekening zou houden met plannen voor de aanleg van het werk waarvoor onteigend wordt, bereid zou zijn een hogere dan de agrarische gebruikswaarde voor het onteigende te betalen in verband met een mogelijke toekomstige ontwikkeling van het gebied is door de rechtbank verworpen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen, dat het onteigende de bestemming “verkeersdoeleinden” had en ook blijft houden na de onteigening. Verder overwoog de rechtbank dat als al sprake zou zijn van een wijziging van de bestemming in een rendabeler bestemming, dat in een dermate ver verwijderde toekomst zal zijn dat een redelijk handelend koper daaraan op dit moment geen betekenis zal hechten. Ten slotte heeft de rechtbank het verweer van de Provincie onderschreven dat het niet is toegestaan om de huidige verkeersbestemming weg te denken.

De Hoge Raad casseert de oordelen van de rechtbank, omdat de rechtbank de in de arresten van de Hoge Raad van 9 juli 2010 (waaronder LJN BL1634) opgenomen eliminatieregel heeft miskend. Deze regel houdt in dat indien de in een bestemmingsplan aan het onteigende gegeven bestemming is bepaald door een ten tijde van de vaststelling van dat plan al bestaand (concreet) plan voor de aanleg van een mede op het onteigende aan te leggen werk teneinde daarmee de juridisch-planologische onderbouwing en regeling te geven die de beoogde aanleg van dat werk mogelijk zal maken, dat bestemmingsplan in zoverre moet worden aangemerkt als behorende tot de in art. 40c, aanhef en onder 3°, Onteigeningswet bedoelde plannen. Als dat zo is dient de invloed daarvan buiten beschouwing te blijven bij de bepaling van de werkelijke waarde van het onteigende. De rechtbank had naar het oordeel van de Hoge Raad dus moeten onderzoeken of het in 2007 vastgestelde bestemmingsplan valt aan te merken als behorende tot de plannen (als in art. 40c, aanhef en onder 3°, Ow bedoeld) voor de aanleg van de provinciale weg N217. Daarvan had de rechtbank moeten laten afhangen of bij de waardering van de onteigende gronden de invloed van de bestemming “verkeersdoeleinden” al of niet behoort te worden geëlimineerd. De Hoge Raad verwijst de zaak naar Hof ’s-Gravenhage voor onderzoek naar deze vraag.

Share This