HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1049 (Universiteiten / SCAU)

De Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) voorziet in een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang voor studenten die willen opkomen tegen (de hoogte van) het verschuldigde instellingscollegegeld. Hier ligt dus geen taak voor de civiele rechter. Dit geldt eveneens voor aspirant-studenten, aangezien zij al voor de inschrijving een besluit over de hoogte van verschuldigd instellingscollegegeld kunnen verkrijgen. Tegen dat besluit staat vervolgens de bestuursrechtelijke rechtsgang open.

Achtergrond

In deze zaak procedeert een belangenorganisatie van studenten (SCAU) over de hoogte van het instellingscollegegeld dat in rekening wordt gebracht aan studenten die na hun afstuderen een tweede studie willen volgen. In cassatie staat voornamelijk ter discussie of een andere, met voldoende waarborgen omklede rechtsgang openstaat om hierover een beslissing te verkrijgen.

Een student die is ingeschreven door het bestuur van een instelling is voor ieder jaar dat hij staat ingeschreven het wettelijk collegegeld dan wel, als het gaat om een tweede of volgende studie, het instellingscollegegeld verschuldigd. De hoogte van dat  instellingscollegegeld wordt door de instellingen zelf vastgesteld en is vele malen hoger dan het wettelijk collegegeld. SCAU vordert in dit geding verklaringen voor recht en voorzieningen die erop neerkomen dan wel erop berusten dat de Universiteiten het instellingscollegegeld op een te hoog bedrag vaststellen.

De rechtbank heeft SCAU niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen. Het hof heeft dat oordeel onderschreven, maar SCAU wel ontvankelijk verklaard voor zover zij opkomt voor de belangen van aspirant-studenten, vanwege het risico van het verschuldigd worden van het instellingscollegegeld. Het hof heeft tegen zijn arrest tussentijds cassatieberoep opengesteld.

Het principale cassatieberoep van de Universiteiten richt zich tegen het de uitzondering op de niet-ontvankelijkheid, het incidenteel cassatieberoep van SCAU tegen de niet-ontvankelijkverklaring voor het overige.

Het arrest van de Hoge Raad

In het incidentele beroep

De WHW voorziet in een eigen stelsel van rechtsbescherming voor studenten; na bezwaar staat beroep open op  het CBHO. Dat stelsel bestaat in de praktijk ook voor studenten van bijzondere instellingen die uitgaan van een privaatrechtelijke rechtspersoon. In beginsel zal de burgerlijke rechter iemand die bij hem opkomt tegen een beslissing van een orgaan van een instelling voor hoger onderwijs die jegens hem op grond van deze WHW is genomen dan ook niet-ontvankelijk dienen te verklaren omdat sprake is van een andere met voldoende waarborgen omklede rechtsgang. Dat wordt volgens de Hoge Raad in het arrest in deze zaak niet anders door het privaatrechtelijke karakter van de rechtspersoon van wie enkele bijzondere instellingen uitgaan (rov. 4.1.6). De rechtsbetrekking tussen student en instelling is in zoverre (inschrijving, toelating en collegegeld) niet burgerrechtelijk van aard zoals bedoeld in art. 112 van de Grondwet (rov. 4.1.7). De Hoge Raad wijst er verder op dat de bestuursrechter de mogelijkheid heeft om algemeen verbindende voorschriften te toetsen indien zij ten grondslag zijn gelegd aan een individueel besluit. In een geval als hier aan de orde komt het betrokken voorschrift ook eerst tot toepassing door een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit (rov. 4.2.2.). Deze beoordeling wordt niet anders als een belangenorganisatie niet slechts opkomt voor de (gebundelde) belangen van een bepaald of bepaalbaar aantal individuele personen, maar tevens voor het algemeen belang van de bescherming van de rechten van een veel grotere groep van personen, die diffuus en onbepaald is (‘eenieder’) (rov. 4.3.2).

Daarmee is het incidentele cassatieberoep van SCAU ongegrond.

In het principale cassatieberoep

Volgens de Hoge Raad hebben de Universiteiten er terecht op gewezen dat een betrokkene een beslissing over het verschuldigde instellingscollegegeld ook voorafgaand aan de inschrijvingsprocedure kan uitlokken door het verzoek te doen om te beslissen dat hij voor het desbetreffende studiejaar een ander bedrag verschuldigd zal zijn dan door het instellingsbestuur op grond van art. 7.46 lid 2 WHW als instellingscollegegeld is vastgesteld. Ook de aanstaande student heeft deze mogelijkheid en kan aldus met betrekking tot het door hem verschuldigde instellingscollegegeld bezwaar en beroep instellen, alvorens zich (definitief) in te schrijven en, met name, alvorens een onherroepelijke machtiging te geven ter voldoening aan de in art. 7.37 lid 2 WHW genoemde voorwaarde (rov. 5.2.3).

Indien de aanstaande student die machtiging niet geeft, loopt hij volgens de Hoge Raad niet het risico dat hij collegegeld verschuldigd wordt. Dat collegegeld wordt immers eerst verschuldigd na de inschrijving als student. De instelling heeft geen mogelijkheid tot inschrijving over te gaan als geen machtiging of ander bewijs als bedoeld in art. 7.37 lid 2 WHW is overgelegd. Overigens ligt het volgens de Hoge Raad voor de hand dat de student die vóór de aanvang van het studiejaar duidelijkheid wil hebben over het door hem verschuldigde instellingscollegegeld, tijdig een beslissing daarover uitlokt en daartegen zo nodig door het instellen van bezwaar en beroep opkomt, eventueel mede door het – gelijktijdig met het instellen van bezwaar – vragen van een voorlopige voorziening (art. 8:81 Awb, dat op grond van art. 7.66 lid 2 WHW van overeenkomstige toepassing is).

De conclusie is dat niet valt in te zien dat de rechtsbescherming als geregeld in de WHW in het hier aan de orde zijnde geval voor aspirant-studenten zou tekortschieten.

Ook het verweer van SCAU dat van aspirant-studenten niet mag worden gevergd dat zij, teneinde een oordeel van de rechter te verkrijgen, eerst een voor bezwaar en beroep vatbare beslissing uitlokken kan de Hoge Raad niet vermurwen. Dat ziet er volgens de Hoge Raad aan voorbij dat de vaststelling van het door de aspirant-student verschuldigde instellingscollegegeld in het stelsel van de WHW steeds plaatsvindt bij voor bezwaar en beroep vatbare beslissing en dat de weg waarlangs de aanstaande student die beslissing kan uitlokken, erop neerkomt dat die beslissing wordt vervroegd, opdat de aanstaande student daartegen al voor de inschrijving op kan komen.

In het principale beroep vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof en bekrachtigt hij het vonnis van de rechtbank; in het incidentele cassatieberoep verwerpt de Hoge Raad het beroep.

De Universiteiten zijn in cassatie bijgestaan door Martijn Scheltema en in feitelijke instanties door Marije Batting.

Share This