HR 6 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:520

Bij het niet-opleggen van een terugbetalingsverplichting van teveel betaalde alimentatie kon de rechter niet volstaan met de motivering dat dergelijke uitkeringen maandelijks plegen te worden verbruikt, nu de betreffende alimentatietermijnen achteraf waren betaald, na en naar aanleiding van een beschikking waarbij de alimentatie met terugwerkende kracht op nihil gesteld was.

Terughoudendheid bij terugbetalingsverplichting

De alimentatierechter die de alimentatie met terugwerkende kracht verandert, moet daarin terughoudendheid betrachten vanwege een eventuele terugbetalingsverplichting die – bij verlaging van de alimentatie – op de alimentatiegerechtigde kan komen te rusten. Deze terughoudendheid is vorig jaar nog eens benadrukt in HR 25 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:1001, CB 2014-92 en recent bevestigd in HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:232, CB 2015-30.

De gedachte achter deze terughoudendheid is dat alimentatiebetalingen gelden als bijdrage in het maandelijkse onderhoud en dus, in de regel, daadwerkelijk maandelijks worden uitgegeven. Het enkele gegeven dat alimentatietermijnen in beginsel geacht kunnen worden maandelijks te worden gebruikt, is echter op zichzelf niet (steeds) voldoende voor het oordeel dat van de alimentatiegerechtigde niet kan worden gevergd dat deze het teveel betaalde aan de alimentatieplichtige terugbetaalt. In de hier besproken zaak was die aanname in ieder geval onvoldoende.

Procedure na verwijzing

De bestreden beschikking betreft een beschikking na cassatie en verwijzing. In de daaraan voorafgaande procedure had het hof bij beschikking van 22 februari 2006 de oorspronkelijke alimentatie (van nihil) verhoogd naar € 940,- per maand over de periode van 14 januari 2005 tot 15 september 2005 en op €500,- per maand vanaf 15 september 2005. Deze beschikking is door de Hoge Raad vernietigd, waarna het verwijzingshof de alimentatie wijzigde in €1.038,- per maand over de eerder genoemde periode tot 15 september 2015. Voor de periode na 15 september 2015 heeft het verwijzingshof de alimentatie op nihil gesteld. Het is deze wijziging die in de hier besproken uitspraak centraal staat.

Het verwijzingshof voegde aan deze nihilstelling namelijk toe dat voor zover de man over die periode tot de datum van de uitspraak van het hof (3 april 2008) meer heeft betaald (of meer op hem is verhaald), de alimentatie tot laatstgenoemde datum wordt bepaald op hetgeen is betaald/verhaald. Kortom: het verwijzingshof oordeelde dat van de vrouw niet gevergd kon worden dat zij de reeds betaalde alimentatie over de periode tussen 15 september 2005 en datum arrest zou terugbetalen. Het hof motiveerde deze beslissing met de enkele overweging dat “een dergelijke uitkering van maand tot maand pleegt te worden verbruikt”.

De bijzonderheid was echter dat de alimentatie over deze periode niet “van maand tot maand” kon zijn verbruikt, omdat de betreffende alimentatietermijnen bij beschikking van 22 februari 2006 met terugwerkende kracht was vastgesteld over een periode vanaf 15 januari 2005. In de tussenliggende periode (dus: tussen 15 januari 2005 en 22 februari 2006) waren geen alimentatietermijnen voldaan, zodat de (met terugwerkende kracht) verschuldigde alimentatie niet van maand tot maand was verbruikt, maar nog in zijn geheel beschikbaar was.

Tweede cassatieprocedure

De man beroept zich hierop in cassatie en klaagt dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is. Hij vindt gehoor bij A-G Keus en vervolgens ook bij de Hoge Raad:

“3.2.3 (…) Het hof heeft aan zijn oordeel dat van de vrouw in redelijkheid niet kan worden gevergd dat zij het na 15 september 2005 teveel ontvangene terugbetaalt, ten grondslag gelegd dat een dergelijke uitkering van maand tot maand pleegt te worden verbruikt. Die motivering is onbegrijpelijk, nu de vrouw de (door het gerechtshof te ’s-Gravenhage bepaalde) alimentatie van € 500,– per maand over de periode vanaf 15 september 2005 pas heeft ontvangen na de beschikking van dat hof van 22 februari 2006, zodat deze alimentatie over de periode voorafgaande aan die beschikking niet van maand tot maand kan zijn verbruikt.”

De Hoge Raad geeft de volgende verwijzingsrechter de instructie mee dat aan de hand van de maatstaven als vermeld in het arrest van 25 april 2014 opnieuw moet worden beoordeeld of en in hoeverre van de vrouw in redelijkheid kan worden gevergd dat zij het teveel betaalde terugbetaalt.

“3.2.4 (…) Daarbij is onder meer relevant in hoeverre de vrouw de aan alimentatie ontvangen bedragen heeft verbruikt; dat zij aan die alimentatie, naar het hof heeft vastgesteld, in de periode na 15 september 2005 geen behoefte had; alsmede het belang van de man bij terugbetaling van de door hem te veel betaalde alimentatie.”

De man had ook nog klachten gericht tegen de vaststelling van de behoefte van de vrouw en van zijn draagkracht en klaagde ook over overschrijding van de grenzen van de rechtsstrijd, maar deze klachten worden met toepassing van 81 RO verworpen.

Maandelijks verbruik ‘in overeenstemming met behoefte’?

A-G Keus wijdt in zijn conclusie (onderdeel 2.18) overigens nog enkele algemene overwegingen aan de aanname dat alimentatietermijnen maandelijks plegen te worden verbruikt. Hij merkt op dat op zichzelf niet beslissend is dat de teveel betaalde alimentatie reeds is uitgegeven, maar dat het erom gaat of de teveel betaalde alimentatie al dan niet in overeenstemming met de behoefte is uitgegeven. Het komt mij evenwel voor dat deze maatstaf niet zonder meer doorslaggevend kan zijn voor het al dan niet opleggen van een terugbetalingsverplichting. Dat zou immers betekenen dat een terugbetalingsverplichting kan worden opgelegd, steeds als de wijziging van de alimentatie haar grond vindt in de omstandigheid dat de behoefte van de alimentatiegerechtigde lager blijkt te zijn. Dat strookt m.i. niet met de herhaaldelijk benadrukte terughoudendheid ten aanzien van terugbetalingsverplichtingen. Bovendien gaat deze opvatting eraan voorbij dat een terugbetalingsverplichting van reeds uitgegeven gelden een drukkend effect heeft op de toekomstige financiële middelen van de alimentatiegerechtigde. De vraag of de betaalde alimentatie in overeenstemming met de (later vastgestelde) behoefte is verbruikt, is een relevante factor, maar de invloed van een eventuele terugbetalingsverplichting op de actuele behoefte is dat ook.

Share This