HR 7 december 2012, LJN BY5384

Waar het hof heeft geoordeeld dat beëindiging van de alimentatie per 1 mei 2009 zodanig ingrijpend van aard is dat deze niet van de vrouw kon worden gevergd, is volgens de Hoge Raad niet begrijpelijk hoe het hof tot het oordeel is gekomen dat beëindiging van de alimentatie per 1 mei 2010 niet zodanig ingrijpend meer is.

De man en de vrouw in deze zaak waren in december 1967 met elkaar gehuwd. In februari 1987 is het huwelijk door echtscheiding ontbonden. De man diende de vrouw (omgerekend) € 680,– per maand alimentatie te betalen. Bij onherroepelijk geworden beschikking van 27 mei 2003 heeft de rechtbank een verzoek van de man om zijn alimentatieverplichting met ingang van 1 december 2002 te beëindigen afgewezen. Met het oog op het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van de vrouw was in deze beschikking verder een termijn vastgesteld als bedoeld in art. II lid 2 van de Wet Limitering Alimentatie van 28 april 1994 (WLA). Deze bepaling bevat de overgangsregeling voor alimentatieverplichtingen die dateren van vóór 1 juli 1994, de datum van inwerkingtreding van de WLA. De alimentatie zou eindigen op 1 mei 2009, maar verlenging van die termijn was mogelijk.

In april 2009 heeft de vrouw de rechtbank verzocht om – kort weergegeven – de alimentatieverplichting van de man met tien jaar te verlengen. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen. Het hof heeft de beschikking van de rechtbank vernietigd en bepaald dat de alimentatieverplichting van de man eindigt op 1 mei 2010. Gelet op de feiten en omstandigheden oordeelde het hof dat de vrouw niet had kunnen inspelen op de inkomensachteruitgang als gevolg van een eventuele beëindiging van de partneralimentatie. Het hof achtte beëindiging per 1 mei 2009 van zodanig ingrijpende aard dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid “thans” nog niet van de vrouw kon worden gevergd. Dit liet volgens het hof onverlet dat de vrouw er rekening mee had dienen te houden dat de alimentatieverplichting van de man op enig moment zou eindigen en dat van haar kon worden verwacht dat zij binnen een redelijke termijn na 1 mei 2009 haar bestedingspatroon zodanig had aangepast en maatregelen had getroffen dat zij met haar eigen inkomen, zonder bijdrage van de man, geheel in eigen levensonderhoud kon voorzien. Gezien de hoogte van de aanvullende behoefte van de vrouw (volgens het hof € 670,– bruto per maand), achtte het hof een beëindiging na verloop van één jaar, per 1 mei 2010, niet zodanig ingrijpend meer dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet meer van de vrouw kan worden gevergd. Deze beschikking houdt in cassatie geen stand.

De Hoge Raad wijst allereerst op zijn vaste rechtspraak volgens welke aan beslissingen waarbij het recht op alimentatie met toepassing van art. II lid 2 WLA definitief wordt beëindigd hoge motiveringseisen worden gesteld. De Hoge Raad vervolgt dan:

“Bij de beantwoording van de vraag of de definitieve beëindiging van de alimentatie van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de alimentatiegerechtigde kan worden gevergd, is onder meer van belang of de beëindiging van de alimentatie een aanmerkelijke inkomensachteruitgang voor de alimentatiegerechtigde tot gevolg heeft. In het onderhavige geval heeft het hof vastgesteld dat de vrouw tot april 2009 naast de alimentatie een eigen inkomen had van € 1.786,– netto per maand en dat haar inkomen door het bereiken van de 65-jarige leeftijd is gedaald naar € 1.282,– netto per maand. Het hof achtte beëindiging van de alimentatie per 1 mei 2009 van zodanig ingrijpende aard dat deze niet van de vrouw kon worden gevergd. Hiervan uitgaande is niet begrijpelijk hoe het hof tot het oordeel is gekomen dat beëindiging van de alimentatie per 1 mei 2010 niet zodanig ingrijpend meer is. Gelet op de aanmerkelijke inkomensachteruitgang waartoe beëindiging van de alimentatie ook dan voor de vrouw zou leiden en mede gelet op het geringe haar dan resterende inkomen, valt immers niet in te zien waarom van de vrouw tussen 1 mei 2009 en 1 mei 2010 de aanpassing van haar bestedingspatroon en de maatregelen zouden mogen worden verwacht die het hof van haar verlangde. De beschikking voldoet derhalve niet aan de hiervoor bedoelde hoge motiveringseisen.”

Volgt vernietiging en verwijzing naar een ander hof. De Advocaat-Generaal had overigens geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

Share This