HR 6 februari 2015 , ECLI:NL:HR:2015:232

De Hoge Raad bevestigt de door hem reeds eerder geformuleerde regels met betrekking tot de door de feitenrechter te bepalen ingangsdatum van een (gewijzigde) onderhoudsverplichting, een en ander onder verwijzing naar zijn recente uitspraak van 25 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:1001.

Nog niet zo lang geleden heeft de Hoge Raad op een rij gezet, welke regels gelden met betrekking tot de door de rechter te bepalen ingangsdatum van een (gewijzigde) onderhoudsverplichting. Zie: HR 25 april 2014, CB 2014-92, NJ 2014/225, rov. 3.5.1, met een verwijzing naar zijn eerdere uitspraken van 21 december 2007 (ECLI:NL:HR:2007:BB4757) en 25 januari 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BB9246):

“(i) De rechter die beslist op een verzoek tot wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud, zal in het algemeen behoedzaam gebruik moeten maken van zijn bevoegdheid de wijziging te laten ingaan op een vóór zijn uitspraak gelegen datum, met name indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van hetgeen in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald of verhaald. 

(ii) Deze behoedzaamheid geldt ook voor de rechter in hoger beroep die met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum een zodanige wijziging brengt in de door de rechter in eerste aanleg vastgestelde of gewijzigde bijdrage dat zij kan leiden tot de hiervoor bedoelde ingrijpende gevolgen. 

(iii) Deze behoedzaamheid brengt mee dat de rechter naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd, zal moeten beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen in overeenstemming met diens behoefte aan levensonderhoud reeds is uitgegeven, en dat de rechter, indien dit naar zijn oordeel het geval is, van zijn beoordeling rekenschap zal moeten geven in de motivering.”

In deze regels ligt besloten, zo heeft de Hoge Raad hieraan toegevoegd, dat de rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum, steeds aan de hand van hetgeen ten processe is gebleken, zal moeten beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. Bij die beoordeling is de rechter niet afhankelijk van een door de onderhoudsgerechtigde gevoerd, op die terugbetaling betrekking hebbend verweer, aldus nog steeds de Hoge Raad in zijn uitspraak van 25 april 2014, rov. 3.5.2. De rechter zal het door de Hoge Raad verlangde onderzoek dus ambtshalve moeten verrichten.

In de onderhavige zaak, waarin het hof zijn beschikking wees enige maanden vóór de genoemde uitspraak van de Hoge Raad van 25 april 2014, werden de argumenten van de alimentatieplichtige – de man – om te komen tot verlaging van de door hem verschuldigde kinderalimentatie deels gegrond bevonden. De verlaging van de kinderalimentatie had deels betrekking op een periode gelegen in het verleden.

De uitspraak liet onduidelijkheid bestaan over de vraag, of het hof had beslist op het verzoek van de man om de vrouw (ook) te veroordelen tot terugbetaling van teveel betaalde alimentatie. De man stelde daarom cassatieberoep in. De strekking daarvan was, dat het hof (ook) op dit verzoek van de man had moeten responderen.

In het voorwaardelijk incidenteel beroep stelde de vrouw zich op het standpunt dat het hof toepassing had moeten geven aan de hiervoor besproken, door de Hoge Raad in april 2014 nog geformuleerde regel ten aanzien van het door de feitenrechter te verrichten onderzoek naar – kort gezegd – de redelijkheid van een eventuele terugbetalingsverplichting, een en ander mede gelet op de ingrijpende gevolgen van zo’n verplichting voor de vrouw. De vrouw wees er in dit verband voorts op dat zij zich er uitdrukkelijk op had beroepen, dat de man in de loop der jaren een forse betalingsachterstand heeft opgebouwd. In deze stellingname van de vrouw lag mede besloten, dat in het geheel niet is komen vast te staan dat de man teveel kinderalimentatie heeft betaald. Bovendien had de vrouw zich in dit verband beroepen op verrekening.

De A-G meende dat zowel het cassatieberoep als van de man als dat van de vrouw moet slagen.

Omdat niet geheel duidelijk was of de A-G in haar gegrondbevinding van de klachten van de vrouw ook de daarin aangevoerde argumenten met betrekking tot het überhaupt teveel betaald zijn van alimentatie en met betrekking tot het beroep op verrekening van de vrouw had betrokken, heeft de vrouw gebruik gemaakt van de mogelijkheid om op de conclusie van de A-G te reageren. Een dergelijke reactie dient binnen twee weken te worden ingediend en is gericht aan de Hoge Raad. In de praktijk vervult zo’n reactie de rol van “laatste woord”. In haar reactie heeft de vrouw de Hoge Raad verzocht ook aan haar hiervoor genoemde argumenten aandacht te schenken.

De Hoge Raad acht zowel de door de man als de door vrouw aangevoerde klachten gegrond.

Daarbij geeft de Hoge Raad, naar aanleiding van het gegrond bevonden cassatieberoep van de vrouw en haar reactie op de conclusie van de A-G, ook een opdracht aan de verwijzingsrechter mee. Deze zal opnieuw moeten onderzoeken of terugbetaling door de vrouw van door de man teveel betaalde alimentatie in redelijkheid kan worden aanvaard, een en ander aan de hand van de door de vrouw in cassatie aangevoerde argumenten. Hieruit vloeit voort dat ook aan de orde zal moeten komen, of de man überhaupt teveel heeft betaald, een en ander mede bezien tegen de achtergrond van het beroep van de vrouw op de forse betalingsachterstand van de man en haar beroep op verrekening. Zie rov. 5.4 van de uitspraak.

Uit de uitspraak kan worden afgeleid dat de Hoge Raad veel belang hecht aan de door hem geformuleerde regels met betrekking tot de ingangsdatum van een (gewijzigde) onderhoudsverplichting. Bij de bespreking van de voorwaardelijke, incidentele klachten van de vrouw zet het college nogmaals uiteen – ditmaal onder verwijzing naar de recente uitspraak van 25 april 2014 – hoe die regels in elkaar steken. Zie rov. 5.3 van de uitspraak.

De vrouw werd in cassatie bijgestaan door de auteur.

Share This