HR 13 juli 2012, LNJ BX1295

Als een ouder een nieuwe relatie is aangegaan waaruit kinderen zijn geboren, moet bij de vaststelling van kinderalimentatie niet alleen rekening worden gehouden met het feit dat die ouder ook verplicht is om bij te dragen in de kosten van de verzorging en opvoeding van de kinderen uit de nieuwe relatie, maar ook met het feit dat op de andere ouder van die kinderen eenzelfde verplichting rust.

Deze zaak betreft een – in deze tijd van wisselende gezinssamenstellingen – zeer  actuele vraag: hoe moet de draagkracht voor kinderalimentatie worden vastgesteld bij een ouder die ook onderhoudsplichtig is jegens kinderen uit een nieuwe relatie?

De feiten in dit geval zijn als volgt. Uit de relatie van partijen is in 2005 een dochter geboren (Kind 1). De relatie is in 2005 beëindigd. De man is in 2009 gehuwd met een nieuwe partner, uit welk huwelijk (in 2009 en 2010) twee kinderen zijn geboren (Kind 2 en 3). Deze zaak betreft de door de man te betalen kinderalimentatie voor kind 1.

Het hof heeft bij het bepalen van de draagkracht van de man zijn totaal beschikbare draagkracht vastgesteld en deze vervolgens gelijk verdeeld over de drie kinderen, aangezien naar het oordeel van het hof onvoldoende aannemelijk was dat de behoefte van de kinderen verschillend was.

In cassatie is geklaagd dat het hof hiermee ten onrechte is voorbijgegaan aan de omstandigheid dat de nieuwe partner van de man ook onderhoudsplichtig is jegens haar kinderen en dat dit van invloed kan zijn op de voor Kind 1 resterende draagkracht van de man. Ook is geklaagd dat het hof ten onrechte geen gevolgtrekkingen heeft verbonden aan de weigering van de man om de inkomensgegevens van zijn nieuwe partner over te leggen.

A-G Keus gaat hier niet in mee. Hij wijst onder meer op de rekenkundige problemen die zich bij de door het middel voorgestelde benadering voordoen en op de praktische bezwaren die zijn verbonden aan de noodzaak om ook financiële gegevens van derden (die bij het geding geen partij zijn) bij de beoordeling te betrekken. Mede gelet hierop strekt de conclusie tot verwerping van het beroep.

De Hoge Raad denkt er echter anders over (rov. 3.4.1):

“Indien een ouder een nieuwe relatie is aangegaan waaruit kinderen zijn geboren, dan zal niet alleen rekening moeten worden gehouden met het feit dat die ouder verplicht is om tevens bij te dragen in de kosten van de verzorging en opvoeding van die kinderen, maar ook met het feit dat op de andere ouder van die kinderen eenzelfde verplichting rust en dat de onderlinge bijdrageplicht van de ouders in de nieuwe relatie eveneens bepaald dient te worden naar rato van ieders draagkracht. Aldus kan de bijdrageverplichting van die andere ouder mede van invloed zijn op het voor een kind uit een eerdere relatie beschikbare gedeelte van de draagkracht van de jegens dat kind onderhoudsplichtige ouder.”

In dit licht mocht het hof niet zonder meer voorbijgaan aan de weigering van de man om de inkomensgegevens van zijn nieuwe partner over te leggen:

“Het hof heeft daarom niet kunnen voorbijgaan aan het betoog van de vrouw dat de man de inkomensgegevens van zijn echtgenote dient over te leggen (vgl. HR 22 april 1988, LJN AD0287, NJ 1989/386, HR 28 mei 1993, LJN ZC0978, NJ 1994/434, HR 11 november 1994, LJN ZC1539, NJ 1995/129 en HR 26 november 2010, LJN BN7055, NJ 2010/633). Voor zover het oordeel van het hof daarop mocht berusten dat de draagkracht van de man ontoereikend is om aan zijn verplichtingen jegens alle kinderen volledig te voldoen – en zijn draagkracht daarom gelijkelijk moet worden verdeeld over alle kinderen – geldt dat het heeft miskend dat het eerst tot deze vaststelling kon komen nadat het de draagkracht van de echtgenote van de man had onderzocht en vastgesteld, nu de voor [kind 1] beschikbare draagkracht van de man daardoor mede op vorenstaande wijze kan worden beïnvloed (HR 22 april 2005, LJN AS3643, NJ 2005/379).”

De Hoge Raad laat het hier niet bij, maar geeft bovendien – tamelijk vergaande – instructies mee voor het geval dat de feitenrechter niet de beschikking krijgt over de voor de berekening van de draagkracht van de andere ouder benodigde gegevens (rov. 3.4.2):

“Indien de rechter niet de beschikking krijgt over de voor de berekening van de draagkracht van de andere ouder van de kinderen uit de andere relatie benodigde gegevens, staat het hem vrij die draagkracht te schatten aan de hand van de hem wel ter beschikking staande gegevens, en daarbij, gelet op art. 21 en 22 Rv., rekening te houden met het feit dat de benodigde gegevens niet verstrekt zijn en met de eventuele verklaring die daarvoor is gegeven. Indien de andere ouder geacht moet worden in eigen levensonderhoud te voorzien, kan de rechter in dat geval, zonder nader onderzoek naar diens draagkracht, ervan uitgaan dat die andere ouder ten minste voor de helft bijdraagt in de behoefte van die kinderen.”

Share This