HR 22 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:724

(1) Voor de vaststelling dat sprake is van ‘samenwonen als waren zij gehuwd’ ( art. 1:160 BW) moet aan vijf vereisten voldaan zijn. De stelplicht en bewijslast voor al deze vereisten ligt bij de alimentatieplichtige. ’s Hofs aanname dat (ook) aan het vereiste van wederzijdse verzorging was voldaan, strookt niet met deze bewijslastverdeling. (2) Bij het opleggen van een terugbetalingsverplichting na beëindiging van de alimentatieaanspraak ex art. 1:160 BW gelden niet de bijzondere motiveringseisen van (o.a.) HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:232, CB 2015-30. (3) Kosten van het rechercherapport kwalificeren niet als proceskosten in de zin van art. 239 Rv

De casus

In de onderhavige zaak heeft het hof ten aanzien van de alimentatiegerechtigde vrouw geoordeeld dat sprake was van samenwonen in de zin van art. 1:160 BW en haar aanspraak op levensonderhoud per 30 oktober 2013 beëindigd. In cassatie klaagt de vrouw dat deze beslissing van het hof in strijd is met de restrictieve maatstaf van art. 1:160 BW, omdat niet aan alle vereisten voor toepassing hiervan is voldaan. De vrouw klaagt verder (subsidiair) over de terugbetalingsverplichting die het hof heeft gekoppeld aan de beëindiging per 31 oktober 2013. Tot slot bestrijdt zij (eveneens subsidiair) de veroordeling in de kosten van het door de man ingebrachte rechercherapport.

De vijf vereisten voor ‘samenwonen als waren zij gehuwd’

Art. 1:160 BW bepaalt dat de alimentatieverplichting jegens een ex-echtgenoot eindigt wanneer deze is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd. De Hoge Raad ontwikkelde de volgende maatstaf:

“Voor een bevestigende beantwoording van de vraag of de vrouw in de zin van art. 1:160 BW is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd, volstaat niet dat zij en de ander met elkaar samenwonen, maar is vereist dat tussen hen een affectieve relatie bestaat van duurzame aard die meebrengt dat zij elkaar wederzijds verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren.”

Zie o.a. HR 15 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1246, CB 2013-194).

De restrictieve uitleg van het begrip ‘samenwonen als waren zij gehuwd’ houdt verband met het uitzonderlijke en onherroepelijke karakter van de sanctie, te weten: een definitief einde van de alimentatieverplichting. En daarom moet blijkens bovengenoemde maatstaf aan vijf vereisten voldaan zijn, namelijk: (1) samenwoning, (2) een affectieve relatie, die (3) van duurzame aard is, (4) wederzijdse verzorging en (5) een gemeenschappelijke huishouding.

Het hof heeft in dit geval uit de resultaten van een door de man ingebracht rechercherapport geoordeeld dat tussen de vrouw en betrokkene 1 sprake was van een affectieve relatie en dat zij die op een manier hebben ingevuld die getuigd van een praktisch dagelijks samenleven in een lotsverbondenheid gedurende zekere tijd. In cassatie spitst de discussie zich vervolgens toe op de vraag of het hof op toereikende gronden heeft aangenomen dat ook aan het vereiste van wederzijdse verzorging was voldaan. Het hof achtte doorslaggevend dat de vrouw, ondanks herhaaldelijk verzoek daartoe, geen (bank)gegevens heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij voor eigen rekening boodschappen doet; dat zij geen gegevens heeft overgelegd die de observaties uit het rechercherapport ontkrachten dat betrokkene en de vrouw elkaar wederzijds verzorgen en dat zij haar verklaring dat zij haar eigen boodschappen betaald en dat zij onderling de uitgaven verrekening niet nader heeft onderbouwd.

De vrouw klaagt dat het hof met dit oordeel heeft miskend dat de bewijslast voor ieder vereiste van art. 1:160 BW bij de man ligt en dat, voor zover het hof meende dat de man voorshands aan zijn stelplicht en bewijslast terzake de eis van wederzijdse verzorging had voldaan, de vrouw tot tegenbewijs had moeten worden toegelaten. Dit oordeel slaagt:

“3.7 (…) Indien het hof zijn oordeel heeft gebaseerd op het onderzoeksrapport als geheel, heeft het miskend dat ieder vereiste voor de toepassing van art. 1:160 BW door de man moest worden gesteld en zo nodig bewezen (zie hiervoor in 3.4, slotzin). Voor zover het hof zijn oordeel heeft gebaseerd op enkele observaties van het onderzoeksbureau dat de vrouw en [betrokkene 1] samen boodschappen deden, is dat ontoereikend als motivering, aangezien deze waarnemingen nog niet in tegenspraak zijn met de verklaring van de vrouw dat zij haar eigen boodschappen betaalde.

Zou het hof hebben geoordeeld dat de man voorshands heeft voldaan aan zijn (stelplicht en) bewijslast ter zake van de eis van wederzijdse verzorging, dan had het de vrouw tot tegenbewijs moeten toelaten.”

De andere twee aspecten van het cassatieberoep waren subsidiair voorgesteld en behoeven daarom strikt genomen geen behandeling. Toch ziet de Hoge Raad aanleiding om aan beide aspecten enkele overwegingen te wijden.

Terugbetalingsverplichting bij beëindiging ex art. 1:160 BW

De vrouw had geklaagd dat het hof aan de beëindiging per 30 oktober 2013 een terugbetalingsverplichting heeft verbonden, stellende dat dit in strijd is met de terughoudende maatstaf van HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:232, CB 2015-30) met betrekking tot wijziging van de alimentatieverplichting met terugwerkende kracht. Onder verwijzing naar HR 28 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4884 merkt de Hoge Raad op dat deze klacht ongegrond is. In geval van beëindiging van de alimentatieverplichting op de voet van art. 1:160 BW eindigt de aanspraak met ingang van de datum van samenwoning en heeft de rechter niet de vrijheid om een andere beëindigingsdatum dan deze vast te stellen. In het verlengde daarvan hoeft de beslissing tot terugbetaling ook niet te voldoen aan de motiveringseisen van de rechtspraak in het kader van wijziging van alimentatie.

Kosten rechercherapport

Het hof heeft de vrouw veroordeeld in de kosten van het rechercherapport (€ 15.932,-), als zijnde de in het ongelijk gestelde partij. Opnieuw ten overvloede behandelt de Hoge Raad deze klacht en acht deze gegrond:

“Indien het hof deze veroordeling heeft bedoeld als een (vorm van) proceskostenveroordeling, heeft het miskend dat art. 239 Rv niet voorziet in een veroordeling in dit soort kosten. Indien het hof heeft bedoeld de vrouw te veroordelen in buitengerechtelijke kosten van de man, heeft het miskend dat het enkele feit dat de vrouw in het ongelijk werd gesteld daarvoor geen grond kan opleveren (vgl. HR 27 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2404, NJ 1997/651).”

De Hoge Raad vernietigt de bestreden beschikking, conform de conclusie van A-G Wesseling-van Gent, en verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.

Share This