Selecteer een pagina

Gebroken-hart-2HR 28 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3462

De vraag, naar welke methode te verrekenen vermogensbestanddelen van ex-echtgenoten moeten worden gewaardeerd, hangt af van de omstandigheden van het geval, ook indien de waardering betrekking heeft op tot de onderneming van één der ex-echtgenoten behorende onroerende zaken. Daarbij mag de rechter acht slaan op de omstandigheid, dat de onderneming wordt voortgezet na de peildatum, alsmede aan het door partijen terzake de waardering gevoerde partijdebat.

In de onderhavige zaak ging het om de afwikkeling van huwelijkse voorwaarden. Die huwelijkse voorwaarden namen de uitsluiting van gemeenschap van goederen tot uitgangspunt en bevatten daarnaast onder meer een Amsterdams verrekenbeding.

In het kader van de te verrekenen vermogensbestanddelen stond tussen partijen onder meer ter discussie, hoe de tot de eenmanszaak van de man behorende onroerende zaken moesten worden gewaardeerd. De door de man ingeschakelde deskundige nam de jaarlijkse huurwaarde tot uitgangspunt en kwam uit op een waarde van € 1.342.500,-. De door de vrouw inschakelde deskundige heeft de waarde van de panden eveneens op basis van de huurwaarde vastgesteld en kwam uit op een waarde van € 1.566.495,-. Het verschil zat in de gehanteerde kapitalisatiefactor (10 resp. 13,2 maal de jaarlijkse huurwaarde). Het hof achtte het redelijk en billijk om de door partijen genoemde bedagen te middelen en kwam uit op een te verrekenen vermogenswaarde van € 1.454.247,50.

In cassatie betoogde de vrouw onder meer dat het hof, ongeacht het door partijen gevoerde debat over de waarderingsgrondslag, had moeten uitgaan van de waarde van de onderneming en de daarbij behorende panden in het economische verkeer op de peildatum.

De Hoge Raad verwerpt deze klacht en overweegt daartoe onder meer:

“4.1.2 Het onderdeel faalt. Het miskent dat het antwoord op de vraag voor welke waarderingsmethode moet worden gekozen, ook indien het gaat om in het kader van een onderneming gebruikte onroerende zaken, afhangt van de omstandigheden van het geval. Daarbij mag de rechter acht slaan op de omstandigheid dat de onderneming wordt voortgezet na de peildatum die is bepaald voor de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk. Voorts mag de rechter bij zijn keuze voor de waarderingsmaatstaf betekenis toekennen aan hetgeen partijen daaromtrent naar voren hebben gebracht.”

De Hoge Raad lijkt hiermee aan te sluiten bij zijn uitspraak van 2 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AB0382, NJ 2001/584. In die zaak ging het om de waardering van incourante aandelen van de besloten venootschap van één der ex-echtgenoten. De Hoge Raad oordeelde in dat verband dat voor de waardering van deze aandelen geen algemeen geldende maatstaf kan worden gegeven, omdat deze waardering afhankelijk is van de bijzondere omstandigheden van het gegeven geval.

Een soortgelijk uitgangspunt valt te destilleren uit HR 19 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5867, NJ 2000/441: de Hoge Raad oordeelde daar dat bij de waardering van de goederen van een te verdelen huwelijksgemeenschap uitsluitend “in beginsel” kan worden aangesloten bij de prijs die daarvoor door derden wordt geboden.

Voor de beoordeling in cassatie betekent een en ander dat de maatstaf, waarnaar in een gegeven geval de waardering heeft plaatsgevonden, in beginsel als berustende op de keuze en waardering van de feitenrechter niet op juistheid kan worden getoetst. Wel kunnen keuze en toepassing van de gekozen maatstaf in cassatie met motiveringsklachten worden bestreden. Aldus uitdrukkelijk de Hoge Raad in de hiervoor genoemde uitspraak van 2 maart 2000, NJ 2000/441.

Gelet op het partijdebat meent de Hoge Raad in de onderhavige zaak dat van onbegrijpelijkheid in cassatietechnische zin geen sprake is:

“4.1.4 Zoals blijkt uit het in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.21 weergegeven partijdebat, is zowel de vrouw als de man ervan uitgegaan dat de man op de peildatum niet het voornemen had zijn onderneming te beëindigen. Bij dat uitgangspunt en gelet op de door (de deskundigen van) partijen bepleite uitgangspunten voor de waardering van de panden, is de keuze van het hof voor een waardering gebaseerd op de huurwaarde van de panden, vermenigvuldigd met een bepaalde factor, niet onbegrijpelijk.”

De uitspraak ging in cassatie niettemin over de kop. Dit in verband met zowel in het principale cassatieberoep van de vrouw als in het incidentele cassatieberoep van de man voorgestelde motiveringsklachten. De beslissing op het incidentele beroep bevat een samenloop tussen de correctiemogelijkheid van art. 31 Rv in het geval van een kennelijke rekenfout en de mogelijkheid van cassatieberoep. Zie daarover nader: HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:38 en ECLI:NL:HR:2013:39 en NJ 2013/521, op dit blog besproken onder CB 2013-129.

De man werd in cassatie bijgestaan door de auteur en in de feitelijke instanties door Lotje van den Puttelaar.

Share This