Selecteer een pagina

HR 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1414 ([minderjarige] / Bureau Jeugdzorg en de moeder)

Indien een verzilveringstermijn, d.i. een termijn waarbinnen de zorg moet zijn aangevangen, in het indicatiebesluit ontbreekt, volgt uit art. 29b lid 4 Wjz (oud) in verbinding met art. 5 lid 1, aanhef en onder d, EVRM dat de rechter een verzoek tot het verlenen van een machtiging gesloten jeugdzorg niet kan toewijzen. Hij kan, indien hij dat geraden acht, het Bureau Jeugdzorg in de gelegenheid stellen een nieuw indicatiebesluit over te leggen waarin bedoelde termijn wel is opgenomen.

Deze uitspraak is gedaan onder de Wet op de Jeugdzorg (Wjz), die per 1 januari 2015 is vervangen door de Jeugdwet. De uitspraak is daarmee in feite vooral van betekenis voor zaken waarop de oude Wjz nog van toepassing is.

De uitspraak is in zekere zin een vervolg op HR 19 oktober 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BQ4724, NJ 2012/653 en CB 2012-204), gedaan op voordracht en vordering tot cassatie in het belang der wet. In laatst genoemde uitspraak had de Hoge Raad, waar de hoven over deze kwestie verschillend oordeelden, beslist dat het in het BW (art.1:262 lid 3) voorziene geval van verval van een machtiging uithuisplaatsing niet van toepassing is op een machtiging gesloten jeugdzorg op basis van art. 29b Wjz. Deze machtiging verviel dus niet indien deze gedurende drie maanden niet ten uitvoer was gelegd. In de NJ had de annotator (Wortmann) de vraag opgeworpen wat rechtens is als in het indicatiebesluit geen verzilveringstermijn is opgenomen (of als wel een termijn is genoemd maar deze ongebruikt is verstreken). Deze vraag is in aan de Hoge Raad voorgelegd in het cassatieberoep dat heeft geleid tot onderhavige uitspraak.

De zaak draaide om een onder toezicht gestelde minderjarige voor wie al eerder een machtiging gesloten jeugdzorg was verleend. Op het moment dat de rechtbank opnieuw een machtiging verleende, was de jeugdige ondergedoken; ten tijde van de behandeling door het hof was de machtiging nog niet tenuitvoergelegd.

Het indicatiebesluit bevatte volgens de Hoge Raad geen verzilveringstermijn (daarmee gaat hij voorbij aan het standpunt van het Bureau Jeugdzorg dat de indicatietermijn gelijk was aan de geldigheidsduur van het besluit). De Hoge Raad beantwoordt de vraag over het ontbreken van een verzilveringstermijn in een indicatiebesluit aldus dat de rechter het verzoek in zo’n geval niet kan toewijzen, maar, als hij dat geraden acht, het bureau jeugdzorg in de gelegenheid kan stellen een nieuw indicatiebesluit over te leggen, waarin wel een verzilveringstermijn is opgenomen. De Hoge Raad overweegt in dit verband dat het doel van de verzilveringstermijn, herbeoordeling van de noodzaak tot vrijheidsbeneming indien de maatregel niet binnen een bepaalde tijd is geëffectueerd, strookt met het ingrijpende karakter van de gesloten plaatsing. Het rechtsgevolg van het ontbreken van een termijn in het besluit is dus niet het verval van de aanspraak.

De Jeugdwet kent in art. 6.1.12, derde lid, een vervaltermijn van drie maanden bij niet-tenuitvoerlegging van de machtiging.

De verlenging van de maatregel was in dit geval verzocht als “stok achter de deur” ter realisering van voorwaarden waaronder de jeugdige bij familie zou kunnen verblijven. Een gedragswetenschapper had een instemmingsverklaring afgegeven, maar had de jeugdige met het oog hierop niet persoonlijk kunnen onderzoeken, omdat deze was ondergedoken. Rechtbank en hof hadden overwogen dat de jeugdige, zodra de maatregel ten uitvoer zou worden gelegd, alsnog door de gedragswetenschapper persoonlijk zou moeten worden onderzocht.

De Hoge Raad oordeelt dat in een dergelijk geval geen machtiging gesloten plaatsing kan worden verleend, maar dat slechts de weg van een voorlopige machtiging (art. 29c Wjz) openstaat. Anders dan bij een gewone machtiging kende de Wjz bij een voorlopige machtiging de mogelijkheid van een instemmingsverklaring van een gedragswetenschapper zonder persoonlijk onderzoek, namelijk indien dat onderzoek feitelijk onmogelijk was. In zijn uitspraak van 31 mei 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ5422, NJ 2013/412 en CB 2013-100), die zag op een voorlopige machtiging, had de Hoge Raad in dat verband gewezen op de mogelijkheid dat de rechter de voorwaarde stelt dat het bureau jeugdzorg het onderzoek door een gedragswetenschapper onverwijld doet plaatsvinden zodra dit feitelijk mogelijk is geworden.

In de thans geldende Jeugdwet is het instrument van de voorwaardelijke machtiging opgenomen (art. 6.1.4 e.v.). De noodzaak van gebruik van een gewone machtiging gesloten plaatsing als “stok achter de deur” doet zich daarmee in beginsel niet meer voor. De jeugdige moet de hulp zoals neergelegd in een hulpverleningsplan echter wel aanvaarden Ook voor een dergelijke machtiging blijft de instemming van een gekwalificeerde gedragswetenschapper nodig.

De voorlopige machtiging is in de Jeugdwet teruggekeerd als “spoedmachtiging”. De Jeugdwet kent in art. 6.1.13, derde lid, voor deze spoedmachtiging dezelfde “tenzij-clausule” voor onderzoek van de jeugdige als de Wjz voor de voorlopige machtiging. Bij onmogelijkheid van persoonlijk onderzoek behoudt de zojuist besproken uitspraak van de Hoge Raad vermoedelijk in zoverre zijn belang, dat ook onder de Jeugdwet dan slechts een spoedmachtiging mogelijk lijkt.

Bureau Jeugdzorg is bijgestaan door de auteur.

Share This