Https://cassatieblog.nl maakt gebruik van cookies voor webanalyse en social media sharing. Google Analytics analyseert met behulp van cookies hoe de website wordt gebruikt. Daarnaast toont Https://cassatieblog.nl knoppen om informatie te delen op sociale media. Deze knoppen worden enkel weergegeven als u toestemming geeft cookies te plaatsen op uw computer. Meer informatie vindt u in ons Privacyverklaring.
weigeren accepteren

Betekening dagvaarding aan onbekende erfgenamen

CB 2013-65 Geplaatst op 11 april 2013 door

HR 5 april 2013, LJN BY9084 (Cassatie in het belang der wet)

Betekening van een exploot aan de gezamenlijke erfgenamen van een overledene, zonder vermelding van hun namen en woonplaatsen, aan de woonplaats van de overledene is alleen mogelijk indien daar nog één van de in art. 53 sub a Rv genoemde nabestaanden woont. Bij een openbare dagvaarding van de erfgenamen (art. 54 lid 2 Rv) moeten hun namen en woonplaatsen worden vermeld. Wanneer de erfgenamen noch via art. 53 Rv, noch via art. 54 Rv kunnen worden gedagvaard, kan via art. 4:204 BW om benoeming van een vereffenaar over de nalatenschap worden verzocht en kan de dagvaarding vervolgens aan deze vereffenaar worden betekend.

Achtergrond

Stichting Ymere heeft een woning verhuurd aan een huurster die in april 2008 is overleden. De huurster was de enige bewoner van de woning. Na haar overlijden wenst Ymere de woning te ontruimen. Daarbij rijst de vraag hoe de gezamenlijke erfgenamen, tot wie de ontruimingsvordering zal moeten worden gericht, moeten worden gedagvaard.

Wanneer de namen en woonplaatsen van die erfgenamen niet bekend zijn – zoals hier kennelijk het geval – geeft art. 53 Rv een aantal mogelijkheden om het exploot van dagvaarding te betekenen aan de gezamenlijke erfgenamen, zonder vermelding van hun namen en woonplaatsen. Eén van die mogelijkheden is om het exploot te laten betekenen aan de laatste woonplaats van de overledene. Dit kan echter alleen indien daar nog de partner, broer/zus of nabestaande in rechte lijn van de overledene woont (art. 53 sub a Rv). Deze situatie deed zich in casu niet voor, aangezien de overledene de enige bewoonster van de gehuurde woning was. Ook de overige mogelijkheden van art. 53 Rv (betekening aan een executeur of vereffenaar van de nalatenschap, dan wel aan de woonplaats van één van de erfgenamen) konden kennelijk geen soelaas bieden.

Ymere heeft daarom in dit geval de dagvaarding laten betekenen op de voet van art. 54 lid 2 Rv. Deze bepaling biedt de mogelijkheid tot het doen van een “openbare” dagvaarding aan personen van wie de woon- en verblijfplaats onbekend zijn (te weten via betekening van de dagvaarding aan het parket van het openbaar ministerie en bekendmaking van een uittreksel van het exploot in twee dagbladen). Daarnaast is een afschrift van de dagvaarding betekend aan de woonplaats van de overledene.

Het hof keurde deze wijze van betekening van de dagvaarding goed. Daarbij overwoog het hof dat Ymere voldoende aannemelijk had gemaakt dat zij niet bekend is met de namen van de erfgenamen en hen dus niet op een andere wijze dan via art. 54 lid 2 Rv kon dagvaarden (ook al ziet art. 54 lid 2 Rv strikt genomen alleen op personen van wie wel de naam bekend is, maar niet de woon- of verblijfplaats).

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad is van verschillende kanten geattendeerd op de uitspraak van het hof en op het praktijkprobleem dat die uitspraak aan de orde stelt, en heeft daartegen een vordering tot cassatie in het belang der wet ingesteld.

Ontvankelijkheid cassatieberoep in het belang der wet

In zijn vordering tot cassatie in het belang der wet signaleert A-G Huydecoper dat de vraag kan worden gesteld of deze vordering wel ontvankelijk is. Volgens art. 78 lid 6 RO kan cassatie in het belang der wet namelijk alleen worden ingesteld als tegen de uitspraak geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat. Dit rechtsmiddel zou in casu de mogelijkheid van verzet kunnen zijn (de erfgenamen waren in de procedure niet verschenen, zodat het hof zijn arrest bij verstek had gewezen). Naar het oordeel van de A-G was echter voldoende aannemelijk dat de ontruiming al geruime tijd geleden had plaatsgevonden en de verzettermijn van art. 143 lid 3 Rv dus al lang was verstreken.

De Hoge Raad oordeelt echter anders: omdat niet is gebleken dat de erfgenamen met het arrest van het hof bekend zijn geraakt, en ook niet bekend is op welke datum het arrest zou zijn uitgevoerd, bestaat onvoldoende zekerheid dat tegen het arrest geen verzet meer openstaat. Niettemin gaat de Hoge Raad vervolgens over tot beantwoording van de vragen die in het cassatieberoep in het belang der wet aan de orde zijn gesteld. Ergens heeft dat overigens wat geks: áls inderdaad nog verzet zou openstaan voor de erfgenamen, zouden zij in dat verzet hun voordeel kunnen doen met het oordeel van de Hoge Raad. Uitgangspunt bij een cassatieberoep in het belang der wet is juist dat dit beroep geen nadeel kan toebrengen aan de rechten door partijen verkregen (art. 78 lid 6 RO).

Betekening aan onbekende erfgenamen niet via art. 53 of 54 Rv

Bij zijn beantwoording van de vraag op welke wijze een dagvaarding aan onbekende erfgenamen kan worden betekend, houdt de Hoge Raad vast aan de tekst van de relevante wettelijke bepalingen. Betekening langs de weg van art. 53 Rv is slechts mogelijk in de in die bepaling omschreven gevallen:

“Gelet op zijn totstandkomingsgeschiedenis, zoals weergegeven in de vordering van de Procureur-Generaal onder 13, moet art. 53 Rv aldus worden verstaan dat dit voorschrift slechts kan worden toegepast in de onder a, b, en c vermelde gevallen. Daaruit volgt dat in een geval als het onderhavige, waarin niet is voldaan aan de eis van art. 53, aanhef en onder a, Rv dat een van de daar genoemde personen nog op de laatste woonplaats van de overledene woont, betekening van het exploot aan die woonplaats van de overledene niet mogelijk is.”

Ook art. 54 lid 2 Rv kan volgens de Hoge Raad niet worden ‘opgerekt’ tot personen van wie niet alleen de woonplaats of het verblijf, maar ook de naam onbekend is:

“Anders dan bij betekening op de voet van art. 53 Rv dient bij betekening op de voet van art. 54 lid 2 Rv het vereiste van art. 45 lid 3, aanhef en onder d, Rv in acht te worden genomen, in dier voege dat het exploot de naam vermeldt van degene voor wie het is bestemd. In het onderhavige geval stond laatstgenoemde wijze van betekening derhalve slechts open, indien de namen van de gezamenlijke erfgenamen in het exploot waren vermeld, hetgeen niet is gebeurd.”

Oplossing: verzoek tot benoeming vereffenaar (art. 4:204 BW)

De Hoge Raad reikt tot slot een oplossing aan voor de situatie waarin onbekend is wie de erfgenamen zijn, en de gevallen bedoeld in art. 53 Rv zich niet voordoen. Die oplossing is gelegen in een verzoek tot benoeming van een vereffenaar over de opengevallen nalatenschap (art. 4:204 BW). Na benoeming van een vereffenaar is het mogelijk om een exploot uit te brengen aan de gezamenlijke erfgenamen – zonder vermelding van hun namen en woonplaatsen – door dit te laten betekenen aan de persoon of de woonplaats van de vereffenaar (art. 53 sub b Rv). Deze weg is uiteraard voor de dagvaardende partij wel een stuk omslachtiger en tijdrovender, zoals A-G Huydecoper in zijn conclusie ook signaleert. Afgezet tegen het belang van voldoende waarborgen dat de erfgenamen daadwerkelijk op de hoogte raken van de uitgebrachte dagvaarding acht de A-G deze extra belasting echter niet onaanvaardbaar.

email print