land HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:183 (X c.s./gemeente Peel en Maas)

Bij een cassatieberoep dat is gericht tegen de afwijzing van een vordering tot tussenkomst in een onteigeningsprocedure, dienen alle partijen te worden opgeroepen. Gegrondbevinding van het cassatieberoep kan er na verwijzing immers toe leiden dat het verweer tegen de gevorderde onteigening van degenen die tussen willen komen doel treft. Het vonnis waarbij de onteigening is uitgesproken, heeft hierdoor nog geen kracht van gewijsde gekregen. 

A en B waren mede-eigenaren van landbouwgrond in Peel en Maas. De Gemeente wenste een gedeelte van de grond te onteigenen ten behoeve van werkzaamheden voor verkeersdoeleinden. A bleek inmiddels te zijn overleden, maar stond in het kadaster nog als mede-eigenaar van de grond ingeschreven. De Gemeente heeft daarom op de voet van art. 20 lid 1 Onteigeningswet de rechtbank Roermond verzocht een derde te benoemen tegen wie het onteigeningsgeding kon worden gevoerd. De rechtbank heeft mr. Fraats benoemd als derde. De Gemeente heeft vervolgens B en mr. Fraats q.q. gedagvaard en gevorderd bij vervroeging de onteigening uit te spreken. Daarop hebben de weduwe van A en diens zoon een incidentele conclusie genomen, strekkende tot tussenkomst op de voet van art. 3 Ow. De weduwe stelde dat zij door A testamentair is benoemd tot diens enige erfgenaam, zodat de grond haar in mede-eigendom toebehoort, samen met haar zwager B. De zoon voerde aan dat hij pachter is van de grond.

De rechtbank heeft de gevorderde tussenkomst afgewezen. Zij oordeelde dat de op de voet van art. 20 lid 1 Ow als derde benoemde mr. Fraats alleen door de gezamenlijke erfgenamen had kunnen worden vervangen als procespartij. Omdat A niet alleen zijn weduwe en zijn zoon als erfgenamen naliet, maar ook nog twee dochters, is de vordering tot tussenkomst niet door de gezamenlijke erfgenamen gedaan. Voor zover de weduwe en de zoon hun vordering mede baseren op art. 3 Ow, slaagde deze volgens de rechtbank evenmin. De weduwe zou dan immers dubbel in de procedure aanwezig zijn: in persoon, en vertegenwoordigd door mr. Fraats. Ten aanzien van de zoon geldt dat zijn hoedanigheid van pachter is betwist in de zin van art. 3 lid 3 Ow. De rechtbank wees daarom in het incident de vordering af. Tegen dit incidentele vonnis is cassatieberoep ingesteld (cassatieberoep 1).

Vervolgens vorderden de weduwe, de zoon en de twee hiervoor vermelde dochters dat zij gezamenlijk zouden worden toegelaten als tussenkomende partij, met vervanging van mr. Fraats q.q. De rechtbank wees de gevorderde tussenkomst af. Zij overwoog daartoe, kort samengevat, (opnieuw) dat de gezamenlijke erfgenamen, bij toewijzing van de vordering op de voet van art. 3 Ow, dubbel aanwezig zouden zijn in de procedure, immers zowel in persoon als vertegenwoordigd door mr. Fraats q.q. Zij voegde daaraan toe dat de procedure niet meer door de gezamenlijke erfgenamen kan worden overgenomen van mr. Fraats q.q., aangezien dit alleen mogelijk was op de eerstdienende dag. Tevens sprak de rechtbank in de hoofdzaak de vervroegde onteigening uit. Tegen dit vonnis is ook een cassatieberoep ingesteld (cassatieberoep 2).

De Hoge Raad komt bij zijn beoordeling van cassatieberoep 1 eerst ambtshalve tot de conclusie dat het cassatieberoep tegen het vonnis in het incident waarin de tussenkomst van de weduwe en van de zoon is afgewezen, ontvankelijk is. Zoals de Hoge Raad heeft overwogen HR 24 juni 1992, ECLI:NL:HR:1992:AD1703, NJ 1993/548 (Ogenia) wordt door een uitdrukkelijk dictum waarin is geoordeeld dat een vordering tot tussenkomst op de voet van art. 3 Ow wordt afgewezen, definitief beslist dat de partij die tussenkomst verlangt, geen rechthebbende, mede-rechthebbende of derde-belanghebbende is als bedoeld in deze bepaling. Dat vonnis is derhalve in zoverre een eindvonnis, zodat daartegen cassatieberoep openstaat.

De Gemeente heeft aangevoerd dat de weduwe en de zoon niet in hun cassatieberoep kunnen worden ontvangen omdat zij daarbij geen belang hebben, omdat dit beroep slechts is gericht tegen de Gemeente en niet mede tegen B en mr. Fraats q.q. De Gemeente doet dus een beroep op de exceptio plurium litis consortium. Een zodanig verweer kan slechts slagen indien het rechtens noodzakelijk is dat de beslissing ten opzichte van alle bij de rechtsverhouding betrokkenen hetzelfde luidt. Dit verweer faalt volgens de Hoge Raad. In dit incident is uitsluitend de toelaatbaarheid van de door de weduwe en de zoon gevorderde tussenkomst aan de orde. De beoordeling van deze vordering is niet rechtstreeks van invloed op de rechtsverhouding tussen de partijen in de hoofdzaak. Aangezien gegrondbevinding van het beroep van de weduwe en de zoon na verwijzing ertoe kan leiden dat zij in de hoofdzaak alsnog partij worden, hetgeen tot gevolg kan hebben dat hun verweer in de hoofdzaak tegen de gevorderde onteigening doel treft, ziet de Hoge Raad echter toch aanleiding om te bepalen dat ook B en mr. Fraats q.q. in deze cassatieprocedure worden opgeroepen, op de voet van art. 118 Rv. Zo kunnen ook zij zich in het (in eerste aanleg mede tegen hen aanhangig gemaakte) incident uitlaten over de klachten van de weduwe en de zoon tegen de afwijzing van de door hen gevorderde tussenkomst.

Dit brengt volgens de Hoge Raad verder mee dat het eindvonnis waarin de rechtbank de vervroegde onteigening heeft uitgesproken nog geen kracht van gewijsde heeft verkregen. Doordat B en mr. Fraats q.q. op de voet van art. 118 Rv alsnog in de cassatieprocedure worden betrokken, geldt het door de weduwe en de zoon aangewende rechtsmiddel immers ook jegens hen. Dit heeft ook gevolgen voor de hoofdzaak. Als de door de weduwe en de zoon in dit incident gevorderde tussenkomst wordt toegestaan, zouden zij immers, zoals hiervoor overwogen, daardoor partij in de hoofdzaak worden. Van belang is dan dat aan een door één van partijen met succes gevoerd verweer tegen de vordering tot onteigening, mede rechtsgevolg dient te worden toegekend ten opzichte van alle andere in de procedure betrokken partijen (vgl. HR 21 november 1952, NJ 1953/468).

Ook ten aanzien van cassatieberoep 2 heeft op grond van het voorgaande te gelden dat B en mr. Fraats q.q. moeten worden opgeroepen, aldus de Hoge Raad.

Share This