HR 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:760 (AIG/Verweerder)

(1) In het geval een verklaring voor recht wordt gevorderd omtrent aansprakelijkheid voor schade, moet de rechter ervan uitgaan dat de eiser hierbij belang heeft als de mogelijkheid van schade aannemelijk is, óók als niet tevens een veroordeling tot schadevergoeding of verwijzing naar de schadestaatprocedure wordt gevorderd. De Hoge Raad komt hiermee terug van zijn oordeel in HR 30 maart 1951, NJ 1952/29. (2) De burgerlijke rechter is ten aanzien van de bewijswaardering niet gebonden aan de aanvaarding van een beroep op noodweer door de strafrechter.

Achtergrond van de zaak

De man (A) en de vrouw hebben een relatie gehad, welke in mei 2006 door de vrouw is beëindigd. De vrouw kreeg vervolgens een nieuwe relatie met een andere man (B), wiens auto voor de WAM was verzekerd bij (de rechtsvoorganger van) AIG. In juli 2006 heeft tussen A en B een confrontatie plaatsgevonden, waarbij A werd aangereden door een auto die werd bestuurd door B. Zowel A als B zijn na dit voorval strafrechtelijk vervolgd. In 2008 werd A door de strafrechter veroordeeld voor bedreiging van B met enig misdrijf tegen het leven gericht. In verband met de ernst van zijn letsel werd hem echter geen straf of maatregel opgelegd. B werd op zijn beurt in eerste aanleg veroordeeld voor poging tot doodslag en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, waarbij zijn beroep op noodweer door de rechtbank werd verworpen. In hoger beroep werd zijn beroep op noodweer echter alsnog aanvaard; B werd ontslagen van alle rechtsvervolging ten aanzien van de poging tot doodslag en kreeg een werkstraf opgelegd voor de bedreiging met zware mishandeling. In de onderhavige procedure vordert A een verklaring voor recht dat AIG aansprakelijk is voor de schade die hij als gevolg van de aanrijding lijdt.

De rechtbank heeft de vordering van A afgewezen. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank echter vernietigd en voor recht verklaard dat AIG voor 75% aansprakelijk is voor de schade die A lijdt als gevolg van de aanrijding. Het hof heeft daartoe – kort gezegd – overwogen dat B, doordat hij A tijdens de confrontatie in juli 2006 heeft aangereden, aansprakelijk is op grond van onrechtmatige daad (art. 6:162 BW) voor de schade die A als gevolg van de aanrijding lijdt. Het oordeel in de strafzaak van het gerechtshof Amsterdam ten aanzien van het beroep van B op noodweer vormt echter geen onderdeel van de bewezenverklaring, waardoor dit geen dwingend bewijs oplevert (art. 161 Rv), aldus het hof. Naar het oordeel van het hof leveren de feiten en omstandigheden in de onderhavige zaak bovendien geen situatie op waarin B zich met succes op overmacht dan wel noodweer kan beroepen.

Cassatie

AIG heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld. Het eerste onderdeel klaagt dat het hof heeft miskend dat A onvoldoende belang heeft bij zijn vordering, nu A slechts een verklaring voor recht vordert en niet blijkt van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat hij daarmee volstaat. AIG doelt hiermee op HR 30 maart 1951, NJ 1952/29 waarin door de Hoge Raad werd overwogen dat:

“ (…) wanneer de eiser zich jegens den gedaagde beroept op het bestaan van een verbintenis uit onrechtmatige daad, welke hem een aanspraak op vergoeding van schade geeft, hij alleen dàn afzonderlijke vaststelling van deze verbintenis mag vorderen onder voorbehoud van recht om veroordeling tot schadevergoeding te vorderen, wanneer er bijzondere omstandigheden zijn gesteld of gebleken, die aan een veroordeling ondanks het bestaan van een aanspraak vooralsnog in den weg staan maar wenselijk maken dat hij althans het bestaan van de aanspraak reeds dadelijk door een bindende verklaring van den rechter veilig stelt.”

De Hoge Raad komt echter terug van zijn eerdere jurisprudentie en oordeelt dat, indien een verklaring voor recht wordt gevorderd dat aansprakelijkheid bestaat voor schade, de rechter ervan uit dient te gaan dat eiser daarbij belang heeft als de mogelijkheid van schade aannemelijk is. Dat geldt volgens de Hoge Raad ook als niet tevens een veroordeling tot schadevergoeding of tot verwijzing naar de schadestaatprocedure wordt gevorderd.

Het tweede onderdeel klaagt dat het hof heeft miskend dat, als de strafrechter een beroep op noodweer heeft aanvaard en daarop in de civiele aansprakelijkheidszaak een beroep wordt gedaan, de burgerlijke rechter het rechtsoordeel van de strafrechter in beginsel dient te volgen. Ook deze klacht faalt echter. De waardering van het bewijs is krachtens het bepaalde in art. 152 lid 2 Rv namelijk aan het oordeel van de rechter overgelaten, tenzij de wet anders bepaalt. Art. 161 Rv is zo een bepaling waarin de wet anders bepaalt; dit artikel bepaalt dat een in kracht van gewijsde gegaan, op tegenspraak gewezen vonnis waarbij de Nederlandse strafrechter bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan, dwingend bewijs oplevert van dat feit. Het oordeel van de strafrechter dat een beroep op noodweer slaagt, wordt echter niet door art. 161 Rv bestreken. Dit oordeel maakt immers geen deel uit van de bewezenverklaring, maar heeft betrekking op de strafbaarheid van de verdachte (art. 350 Sv), aldus de Hoge Raad. De aanvaarding van een beroep op noodweer door de strafrechter laat de vrijheid in de bewijswaardering van de burgerlijke rechter dan ook onverlet.

Aangezien ook de overige klachten van AIG niet tot cassatie kunnen leiden, wordt het cassatieberoep door de Hoge Raad verworpen. Ook het incidentele cassatieberoep van A wordt ingevolge art. 81 RO zonder nadere motivering verworpen.

Share This