HR 22 maart 2019 ECLI:NL:HR:2019:398

In deze zaak heeft de rechtbank de vorderingen van eiser uitgelegd als één vordering met twee verschillende grondslagen (primaire en subsidiaire grondslag). De rechtbank wees de vordering op de subsidiaire grondslag toe. Het hof achtte de vordering echter niet toewijsbaar op de subsidiaire grondslag, maar heeft nagelaten te onderzoeken of de vordering wel toewijsbaar was op de primaire grondslag. Het hof heeft daarmee de devolutieve werking van appel miskend.

Achtergrond

Eiser in deze zaak (hierna: A) heeft in 2008 zijn onderneming verkocht aan B. Partijen hebben daarbij een koopprijs in twee delen afgesproken. Het eerste deel van de koopprijs bedroeg € 100.000. Het tweede deel van de koopprijs bedroeg maximaal € 75.000, afhankelijk van de door B te behalen omzet over 2008 en 2009. Ter bepaling van het tweede deel van de koopprijs diende B aan A inzage te verschaffen in de behaalde resultaten, op straffe van een contractuele boete van eveneens € 75.000.

In deze procedure vordert A van B betaling van (i) het tweede deel van de koopprijs (€ 75.000) en (ii) de contractuele boete (€ 75.000). Nu B naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende inzage heeft verschaft in de behaalde resultaten, wijst de rechtbank de vordering op de subsidiaire grondslag toe. De rechtbank overweegt dat A geen aanspraak maakt op het tweede deel van de overnamesom, omdat de boete daar al voor in de plaats is gekomen. Volgens de rechtbank sluit het een het ander uit.

In hoger beroep oordeelt het hof dat de vordering niet op de subsidiaire grondslag kan worden toegewezen, omdat niet gezegd kan worden dat onvoldoende inzicht is geboden in de resultaten. B is volgens het hof dan ook geen boete verschuldigd. Betaling van het tweede deel van de koopprijs valt volgens het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep, omdat in appel alleen de kwestie van de boetebepaling ter discussie stond.

Cassatie

Tegen dat oordeel komt A in cassatie op. Volgens A heeft het hof de devolutieve werking van het hoger beroep miskend. Weliswaar was de rechtsstrijd in hoger beroep beperkt tot het bedrag van € 75.000, maar de vordering tot betaling van dit bedrag was op twee afzonderlijke grondslagen was gebaseerd, te weten de contractuele boete én het tweede deel van de koopprijs.

In navolging van A-G Van Peursem acht de Hoge Raad die klacht gegrond. Daartoe stelt de Hoge Raad voorop dat de rechtbank heeft vastgesteld dat de contractuele boete in de plaats van het tweede deel van de koopprijs kwam en A dus geen aanspraak kon maken op meer dan € 75.000. Daaruit leidt de Hoge Raad af dat de rechtbank de vorderingen van A heeft uitgelegd als één vordering met twee verschillende grondslagen; de contractuele boete of het tweede deel van de koopprijs. Het hof heeft miskend dat in hoger beroep niet tegen die uitleg is opgekomen. Het hof had dan ook, nadat het tot de slotsom was gekomen dat de op de contractuele boete gestoelde toewijzing van de vordering door de rechtbank moest worden vernietigd, moeten onderzoeken of de vordering wel toewijsbaar is voor zover zij berust op de verschuldigdheid van het tweede deel van de koopprijs. Het hof heeft kortom ten onrechte niet onderzocht of de vordering wel toewijsbaar was op de primaire grondslag. Daarmee heeft het hof de devolutieve werking van hoger beroep miskend. Tegen die achtergrond volgt dan ook vernietiging van het arrest en verwijzing van het geding naar een ander hof ter verdere beslissing.

Share This