HR 8 februari 2013, LJN BY2599

Tegen een beslissing van de rechter over verandering of vermeerdering van eis staat ingevolge art. 130 lid 2 Rv geen hogere voorziening open. Gezien de aard van een dergelijke beslissing is ook de doorbrekingsjurisprudentie niet van toepassing.

De wettelijke regeling inzake wijziging van de eis of de gronden daarvan is neergelegd in de artikelen 129 en 130 Rv, die betrekking hebben op vermindering respectievelijk vermeerdering of verandering van de eis (of de gronden daarvan). Eiswijziging is ook mogelijk in appel (art. 353 Rv). Vermindering van de eis kan, zolang de rechter nog geen einduitspraak heeft gedaan, te allen tijde (art. 129 Rv). Art. 130 lid 1 Rv geeft regels voor het vermeerderen of veranderen van (de gronden van) de eis:

“Zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen, is de eiser bevoegd zijn eis of de gronden daarvan schriftelijk, bij conclusie of akte ter rolle, te veranderen of te vermeerderen. De gedaagde is bevoegd hiertegen bezwaar te maken, op grond dat de verandering of vermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde. De rechter beslist, partijen gehoord, zo spoedig mogelijk. De rechter kan op dezelfde grond ook ambtshalve een verandering of vermeerdering van eis buiten beschouwing laten.”

Art. 130 lid 2 Rv bepaalt vervolgens dat tegen een beslissing van de rechter zoals bedoeld in het eerste lid geen hogere voorziening openstaat. In het arrest Heep/Heep (HR 28 mei 1999, NJ 2000, 220) is beslist dat dit rechtsmiddelenverbod bovendien niet vatbaar is voor doorbreking op een grond zoals aanvaard in de doorbrekingsjurisprudentie van de Hoge Raad (te weten: (i) de rechter heeft de bepaling waarop het verbod betrekking heeft ten onrechte toegepast of (ii) ten onrechte buiten toepassing gelaten of (iii) de rechter heeft een zo fundamenteel rechtsbeginsel geschonden dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling niet meer kan worden gesproken). De Hoge Raad heeft deze uitzondering op de doorbrekingsjurisprudentie als volgt onderbouwd:

“Daarbij is doorslaggevend de aard van de beslissing waarom het hier gaat. De beslissing wordt vooreerst daardoor gekenmerkt dat het gaat om een marginale toetsing: de rolrechter toetst immers – desgevraagd – enkel of de voorgenomen wijziging van eis de verdediging onredelijk bemoeilijkt of het geding onredelijk vertraagt. Voorts is de beslissing niet definitief: zij ontneemt eiser in de regel geen rechten. In beginsel kan eiser in een later stadium van het geding zijn eis immers wederom wijzigen dan wel de gewijzigde eis in een nieuw geding aan de rechter voorleggen.”

Het arrest van de Hoge Raad is overeenstemming met zijn eerdere oordeel (gewezen na het instellen van het cassatieberoep in de hier besproken zaak) van 16 november 2012, LJN BX0731. In mijn bespreking op Cassatieblog van dat arrest stipte ik al aan dat een beschikking van de Hoge Raad van 12 mei 2006 (LJN AV8720) aanleiding kon geven tot de gedachte dat de Hoge Raad van zijn beslissing in Heep/Heep was teruggekomen. De Hoge Raad overwoog in die uitspraak:

“Waar echter de klachten van de man mede inhouden dat het hof ten onrechte toepassing heeft gegeven aan de art. 283 Rv en art. 130 lid 1 Rv, is de man in zoverre ontvankelijk te achten in zijn klachten.”

Anders dan in het arrest van 16 november 2012, gaat de Hoge Raad in de hier besproken zaak, naar aanleiding van het middel, alsnog op die uitspraak in. In de onderhavige huurzaak had het hof eiser niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep voor zover dat betrekking had op de afwijzing van de kantonrechter van zijn eisvermeerdering. Tegen die niet-ontvankelijkverklaring richt zich het cassatiebroep van eiser. Onder verwijzing naar de zojuist genoemde beschikking betoogt eiser dat het rechtsmiddelenverbod van art. 130 lid 2 Rv niet in de weg staat aan de ontvankelijkheid van het hoger beroep van een partij die zich op een doorbrekingsgrond beroept. De Hoge Raad verwerpt dit betoog en overweegt daartoe als volgt:

“3.6 […] In zijn arrest van 28 mei 1999, LJN ZC2914, NJ 2000/220, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het onderhavige rechtsmiddelenverbod, dat destijds was neergelegd in art. 134 lid 3 (oud) Rv, niet doorbroken kan worden indien art. 134 (oud) ten onrechte dan wel met verzuim van essentiële vormen is toegepast, of ten onrechte buiten toepassing is gelaten. De aard van de beslissing op een verzet tegen een wijziging van eis achtte de Hoge Raad daarbij doorslaggevend. Nu die aard sedert 1999 niet is gewijzigd, ziet de Hoge Raad geen grond om thans anders te oordelen.

3.7 Hieraan doet niet af dat de Hoge Raad in zijn beschikking van 12 mei 2006, […] [LJN AV8720, NJ 2006/293, GN] de verzoeker in cassatie ontvankelijk heeft geacht wat betreft zijn klacht dat het hof ten onrechte toepassing had gegeven aan art. 130 lid 1 Rv. Het ging in die zaak om een klacht die gericht was tegen het oordeel van het hof omtrent de omvang van het geding na cassatie en verwijzing en de mogelijkheid om daarin door het aanvoeren van nieuwe stellingen of grieven dan wel door vermeerdering van het verzoek wijziging te brengen. Tegen een dergelijk oordeel staat cassatieberoep open blijkens deze beschikking, ook voor zover dat oordeel tevens kan worden aangemerkt als een beslissing omtrent een vermeerdering van het verzoek. Een dergelijk geval is hier evenwel niet aan de orde.”

Ten slotte was nog aangevoerd dat nu het hoger beroep ook mag dienen tot uitsluitend een verandering of vermeerdering van de eis, en in hoger beroep de eis was vermeerderd met een niet onder een appelverbod vallende vordering, het beroep in zoverre ontvankelijk zou moeten zijn. Daar wil de Hoge Raad echter niet aan:

“Inderdaad kan een hoger beroep dienen om een in eerste aanleg ingestelde eis te veranderen of te vermeerderen, maar een niet-appellabel vonnis kan niet appellabel worden gemaakt door in hoger beroep een gewijzigde vordering of een nieuwe vordering in te stellen.”

Eiser is in cassatie bijgestaan door Sikke Kingma.

Share This