Https://cassatieblog.nl maakt gebruik van cookies voor webanalyse en social media sharing. Google Analytics analyseert met behulp van cookies hoe de website wordt gebruikt. Daarnaast toont Https://cassatieblog.nl knoppen om informatie te delen op sociale media. Deze knoppen worden enkel weergegeven als u toestemming geeft cookies te plaatsen op uw computer. Meer informatie vindt u in ons privacy statement.
weigeren accepteren

Geen uitzondering op verplichte procesvertegenwoordiging in cassatie voor wrakingsverzoek

CB 2017-195 Geplaatst op 07 november 2017 door

HR 3 november 2017 ECLI:NL:HR:2017:2806

Voor het doen van een wrakingsverzoek maakt de Wet versterking cassatierechtspraak geen uitzondering op de verplichte procesvertegenwoordiging in cassatie door een advocaat bij de Hoge Raad.

De feiten

In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld door een advocaat die op dat moment de aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ had. Nadat verzoeker in kennis was gesteld wanneer in deze zaak uitspraak zou worden gedaan, en dat onder voorzitterschap van een van de vice-presidenten arrest zou worden gewezen, heeft de advocaat namens verzoeker bij verzoekschrift wraking van de betreffende vice-president verzocht. De vice-president heeft schriftelijk laten weten niet in de wraking te berusten.

Ontvankelijkheid

In cassatie geldt dat partijen in burgerlijke gedingen vertegenwoordigd moeten worden door een door hen aan te wijzen advocaat bij de Hoge Raad (art. 407 lid 3, 409 lid 1, 416, 426a lid 1en 426b lid 3 Rv.) Het verzoekschrift tot wraking is ondertekend door de advocaat, wiens aantekening als advocaat bij de Hoge Raad drie weken eerder was doorgehaald. Tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek werd betoogd dat het indienen van een dergelijk verzoek op één lijn kan worden gesteld met indienen van een zogenoemde Borgersbrief, dat de Hoge Raad ook kennisneemt van Borgersbrieven die zijn ingediend door advocaten die op dat moment niet (meer) kunnen optreden in de hoedanigheid van advocaat bij de Hoge Raad, en dat  verzoeker het wrakingsverzoek ook zelf had kunnen indienen.

De Hoge Raad verwijst naar de wet versterking cassatierechtspraak die het niet mogelijk maakt dat een zaak die aanhangig is gemaakt door een advocaat bij de Hoge Raad verder door die advocaat wordt behandeld nadat deze advocaat de aantekening ‘advocaat bij de Hoge Raad’ verloren heeft (zie HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1389 , NJ 2016/359, besproken in CB 2016-117). Alleen indien in een aanhangige zaak een advocaat bij de Hoge Raad zich gesteld heeft, maakt de wet het bij wijze van uitzondering mogelijk dat een Borgersbrief door een andere advocaat, die géén advocaat bij de Hoge Raad is, kan worden ingediend. Diezelfde uitzondering geeft de wet voor het geven van een mondelinge of schriftelijke toelichting. Voor het doen van een wrakingsverzoek maakt de wet echter geen uitzondering op de verplichte procesvertegenwoordiging in cassatie door een advocaat bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het gedane verzoek om wraking.

email print