HR 14 augustus 2015, ECLI:NL:HR:2015:2195 (X c.s./gemeente Peel en Maas/Fraats q.q.)

Het overnemen van het geding op grond van art. 20 Onteigeningswet (Ow) kan alleen door de gezamenlijke erfgenamen geschieden. De overname dient te geschieden op de eerstdienende dag, maar mag ook plaatsvinden nadat het vonnis van (vervroegde) onteigening onherroepelijk is geworden. Erfgenamen kunnen niet op de voet van art. 3 Ow tussenkomen, aldus de Hoge Raad.

A en B waren mede-eigenaren van landbouwgrond in Peel en Maas. De Gemeente wenste een gedeelte van de grond te onteigenen ten behoeve van werkzaamheden voor verkeersdoeleinden. A bleek inmiddels te zijn overleden, maar stond in het kadaster nog als mede-eigenaar van de grond ingeschreven. De Gemeente heeft daarom op de voet van art. 20 lid 1 Onteigeningswet (Ow) de rechtbank Roermond verzocht een derde te benoemen tegen wie het onteigeningsgeding kon worden gevoerd. De rechtbank heeft mr. Fraats benoemd als derde. De Gemeente heeft vervolgens B en mr. Fraats q.q. gedagvaard en gevorderd bij vervroeging de onteigening uit te spreken. Daarop hebben de weduwe van A en diens zoon een incidentele conclusie genomen, strekkende tot tussenkomst op de voet van art. 3 Ow. De weduwe stelde dat zij door A testamentair is benoemd tot diens enige erfgenaam, zodat de grond haar in mede-eigendom toebehoort, samen met haar zwager B. De zoon voerde aan dat hij pachter is van de grond.

De rechtbank heeft de gevorderde tussenkomst afgewezen. Zij oordeelde dat de op de voet van art. 20 lid 1 Ow als derde benoemde mr. Fraats alleen door de gezamenlijke erfgenamen had kunnen worden vervangen als procespartij. Omdat A niet alleen zijn weduwe en zijn zoon als erfgenamen naliet, maar ook nog twee dochters, is de vordering tot tussenkomst niet door de gezamenlijke erfgenamen gedaan. Voor zover de weduwe en de zoon hun vordering mede baseren op art. 3 Ow, slaagde deze volgens de rechtbank evenmin. De weduwe zou dan immers dubbel in de procedure aanwezig zijn: in persoon, en vertegenwoordigd door mr. Fraats. Ten aanzien van de zoon geldt dat zijn hoedanigheid van pachter is betwist in de zin van art. 3 lid 3 Ow. De rechtbank wees daarom in het incident de vordering af. Tegen dit incidentele vonnis is cassatieberoep ingesteld (cassatieberoep 1).

Vervolgens vorderden de weduwe, de zoon en de twee hiervoor vermelde dochters dat zij gezamenlijk zouden worden toegelaten als tussenkomende partij, met vervanging van mr. Fraats q.q. De rechtbank wees de gevorderde tussenkomst af. Zij overwoog daartoe, kort samengevat, (opnieuw) dat de gezamenlijke erfgenamen, bij toewijzing van de vordering op de voet van art. 3 Ow, dubbel aanwezig zouden zijn in de procedure, immers zowel in persoon als vertegenwoordigd door mr. Fraats q.q. Zij voegde daaraan toe dat de procedure niet meer door de gezamenlijke erfgenamen kan worden overgenomen van mr. Fraats q.q., aangezien dit alleen mogelijk was op de eerstdienende dag. Tevens sprak de rechtbank in de hoofdzaak de vervroegde onteigening uit. Tegen dit vonnis is ook cassatieberoep ingesteld (cassatieberoep 2).

In zijn tussenarrest van 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:183, besproken op CB 2015-20, heeft de Hoge Raad, kort gezegd, beslist dat B en mr. Fraats q.q. moeten worden opgeroepen in de beide cassatieprocedures, op de voet van art. 118 Rv. Mr. Fraats q.q. is vervolgens verschenen en heeft zich uitgelaten. De Hoge Raad geeft in zijn eindarrest duidelijke regels voor (1) de overneming van het geding op grond van art. 20 Ow en (2) de tussenkomst op de voet van art. 3 Ow.

(1) Overneming van het geding (art. 20 Ow)

Zoals de Hoge Raad heeft beslist in HR 24 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2656, strekt de benoeming van een derde op de voet van art. 20 lid 1 Ow ertoe het algemene belang van een snel en efficiënt verloop van het onteigeningsgeding te dienen, en daarmee in zoverre ook het belang van de onteigenende partij. De derde heeft na zijn benoeming de belangen van de bij koninklijk besluit aangewezen, inmiddels overleden eigenaar te dienen. Voorkomen moet worden dat het onteigeningsgeding wordt opgehouden doordat de rechter een beslissing zou moeten geven over de vraag wie krachtens erfopvolging is gerechtigd tot de te onteigenen zaak. Tegen deze achtergrond moet volgens de Hoge Raad worden aanvaard dat het onteigeningsgeding, zolang nog niet onherroepelijk is beslist over de vordering tot (vervroegde) onteigening, alleen door of namens de gezamenlijke erfgenamen kan worden overgenomen van de door de rechtbank benoemde derde, en dus niet door één of meer van hen. Dit is reeds het geval omdat de afzonderlijke erfgenamen geen rechthebbenden zijn op de te onteigenen zaak; zolang de boedel nog niet is verdeeld, komt de te onteigenen zaak immers toe aan de erfgenamen gezamenlijk. Bovendien zou een snel en efficiënt verloop van het onteigeningsgeding worden geschaad als het geding door de onteigenaar zowel tegen één of meer afzonderlijke erfgenamen als tegen de door de rechtbank benoemde derde zou moeten worden gevoerd. Voor het geval de erfgenamen niet erin slagen tot een eensluidend standpunt te komen met het oog op een gezamenlijke overneming van het geding, kunnen zij de weg bewandelen van art. 3:168 lid 2 BW.

De mogelijkheid tot overneming van het geding strekt tot bescherming van het belang van de gezamenlijke erfgenamen om zich zelf in rechte te kunnen verweren tegen de vordering tot onteigening, en om te voorkomen dat de boedel wordt belast met de onkosten van de door de rechtbank benoemde derde (art. 20 lid 1 (slot) Ow). Het geding kan op de eerstdienende dag (door de gezamenlijke erfgenamen) worden overgenomen van de door de rechtbank benoemde derde. Deze beperking behoort echter niet langer te gelden nadat het vonnis van (vervroegde) onteigening onherroepelijk is geworden, aldus de Hoge Raad. Het belang van een snel en efficiënt verloop van het onteigeningsgeding legt dan immers geen groot gewicht meer in de schaal. De gezamenlijke erfgenamen (of hun procesvertegenwoordiger) kunnen het geding dus ook gedurende de “tweede fase” van het onteigeningsgeding, waarin de hoogte van de aan de onteigende te betalen schadeloosstelling wordt bepaald, van de derde overnemen.

(2) Tussenkomst (art. 3 Ow)

Art. 3 lid 2 Ow verklaart de daarin genoemde personen bevoegd in het onteigeningsgeding tussen te komen zolang de eindconclusies nog niet door partijen zijn genomen. Tot die personen behoort ook degene die stelt eigenaar te zijn van de te onteigenen zaak. Zijn recht van tussenkomst na aanvang van het onteigeningsgeding hangt samen met de omstandigheid dat degene die is gedagvaard op de grond dat hij ingevolge art. 3 lid 1 Ow als eigenaar wordt aangemerkt, niet (meer) noodzakelijkerwijze die hoedanigheid behoeft te bezitten. Dit rechtvaardigt dat “eenieder die beweert eigenaar te zijn” en niet is gedagvaard nog in het geding mag verschijnen na de aanvang daarvan. In zoverre gaat de wet ervan uit dat vertraging van het onteigeningsgeding moet worden aanvaard. Indien degene die krachtens art. 3 lid 1 Ow als eigenaar wordt aangemerkt is overleden en op de voet van art. 20 lid 1 Ow een derde is benoemd tegen wie het geding wordt gevoerd, heeft die derde in de procedure te gelden als vertegenwoordiger en belangenbehartiger van de erfgenamen van de overleden eigenaar. De omstandigheid dat de erfgenamen dan reeds in het geding zijn vertegenwoordigd, verhindert dat zij (individueel of gezamenlijk) vervolgens nogmaals, als tussenkomende partij, in het geding worden toegelaten. Hun mogelijkheden om zelf in het geding te komen zijn dus beperkt tot de mogelijkheden die art. 20 Ow biedt. Art. 3 lid 3 Ow bepaalt dat hij die stelt gerechtigd te zijn tot de onroerende zaak, bij tegenspraak van zijn hoedanigheid zijn recht alleen op de schadevergoeding kan uitoefenen. Ook deze bepaling strekt ertoe vertraging van de onteigeningsprocedure te voorkomen. De wet stelt in zoverre het belang van de onteigenende partij bij het tijdig tot stand komen van de onteigening boven dat van een partij die stelt eigenaar, rechthebbende of derde-belanghebbende te zijn, maar van wie niet zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat zij de gestelde hoedanigheid ook werkelijk heeft (HR 14 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF0375).

Met inachtneming van deze hoofdregels verwerpt de Hoge Raad vervolgens de beide cassatieberoepen.

Mr. S. Fraats q.q. is in cassatie bijgestaan door Martijn Scheltema en de auteur.

Share This