Https://cassatieblog.nl maakt gebruik van cookies voor webanalyse en social media sharing. Google Analytics analyseert met behulp van cookies hoe de website wordt gebruikt. Daarnaast toont Https://cassatieblog.nl knoppen om informatie te delen op sociale media. Deze knoppen worden enkel weergegeven als u toestemming geeft cookies te plaatsen op uw computer. Meer informatie vindt u in onze Privacyverklaring.
weigeren accepteren

Haags Rechtsvorderingsverdrag verhindert zekerheidstelling voor proceskostenveroordeling

CB 2015-102 Geplaatst op 18 juni 2015 door

HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1585

De Hoge Raad wijst het incidentele verzoek tot overname van de procedure door de vereffenaar van de nalatenschap toe. Het incidentele verzoek tot zekerheidstelling van de proceskosten wordt afgewezen.. Nu eiser Belgische onderdaan is en (inmiddels) in België staat ingeschreven, staat art. 17 lid 1 Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954  (Trb. 1954, 40) aan het stellen van zekerheid in de weg.

Langslepend zakelijk conflict

In zijn uitspraak van afgelopen vrijdag heeft de Hoge Raad op twee incidentele verzoeken beslist. In de hoofdprocedure gaat het om een zakelijk conflict tussen eiser tot cassatie en A. Eind jaren 80 hebben zij gezamenlijk een naamloze vennootschap C opgericht. Tussen eiser en A is begin jaren 90 een zakelijk conflict gerezen. Ter beëindiging van dit conflict hebben, stelt eiser, partijen in 2004 een overeenkomst gesloten op basis waarvan A aan eiser een bedrag van 2 miljoen Euro zou voldoen en de aandelen in vennootschap C schuldenvrij aan eiser zou leveren. Via overschrijvingsformulieren is een bedrag van € 20.000,- van de rekeningen van A aan eiser betaald. Ook zijn de aandelen in vennootschap C aan eiser ter beschikking gesteld.

In de hoofdprocedure vordert eiser algehele nakoming van de overeenkomst. A heeft echter vernietiging van de overeenkomst gevorderd en beroep zich op misbruik van omstandigheden. Hij stelt dat de handtekening onder de overeenkomst en op de overschrijvingsformulieren niet van hem is.

Overlijden hangende appelprocedure

Tot zo ver het inhoudelijke geschil. In cassatie staan eerst twee processuele voorvragen centraal. De relevante processuele voorgeschiedenis is dat A overleden is, enige tijd nadat eiser hoger beroep had ingesteld tegen het voor hem ongunstige vonnis in eerste aanleg. Na schorsing en hervatting (art. 225 lid 1, aanhef en onder a Rv) is de appelprocedure voortgezet op naam van de erven van A.

Nadat ook het hof ten nadele van eiser beslist, stelt deze cassatieberoep in. Ook in cassatie procedeert eiser tegen de erven van A. Zij werpen vervolgens twee incidenten op. Het eerste betreft het verzoek dat notaris Loof, vereffenaar van de nalatenschap van A, in de plaats wordt gesteld van erven A. Eiser heeft zich niet tegen dit verzoek verzet en dus luidt de beslissing van de Hoge Raad als volgt:

“3.3.3 Als door de rechter benoemde vereffenaar treedt Loof op de voet van art. 4:203 lid 2 BW in de plaats van de erfgenamen, terwijl hij ingevolge art. 4:211 lid 2 BW bij de vervulling van zijn taak als vereffenaar de erfgenamen in en buiten rechte vertegenwoordigt. Op grond van een en ander dient het verzoek van de erven c.s. te worden toegewezen.”

Zekerheidstelling proceskosten

In het tweede incident vorderen de erven c.s. dat eiser wordt veroordeeld om op de voet van art. 414 lid 1 jo. 224 lid 1 Rv zekerheid te stellen voor de proceskosten van het geding in cassatie.

Uit de conclusie van A-G Wesseling-van Gent valt op te maken dat de erven c.s. ook in hoger beroep om zekerheidstelling voor de proceskosten hebben gevraagd. Dat verzoek werd toegewezen omdat het hof er vanuit ging dat eiser in Venezuela woonde.

In cassatie voeren de erven c.s. aan dat eiser zonder woon- of verblijfplaats in Nederland is, zodat hij moet worden beschouwd als vreemdeling in de zin van art. 224 Rv en dat eiser evenmin woonachtig is in België, nu hij per 13 oktober 2014 ambtshalve is uitgeschreven uit de Belgische bevolkingsregisters.

Eiser heeft zich tegen dit incident verweerd en daarbij onder meer een beroep gedaan op art. 224 lid 2, aanhef en onder a, Rv dat bepaalt dat geen verplichting tot het stellen van zekerheid bestaat indien dit voortvloeit uit een verdrag of uit een EG-verordening. In dit geval vloeit volgens eiser uit art. 17 van het Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954 voort dat van hem geen zekerheidstelling mag worden verlangd. Ter onderbouwing van dit standpunt wijst eiser erop dat hij de Belgische nationaliteit bezit, zijn woon- en gewone verblijfplaats in België heeft en thans weer in België staat ingeschreven. De erven c.s. zijn in de gelegenheid gesteld om op deze stellingen – en de stukken die eiser ter onderbouwing daarvan heeft overgelegd – te reageren, maar hebben dat niet gedaan.

Bij de beoordeling van dit tweede incident wijdt de Hoge Raad eerst enkele overwegingen aan de toepasselijkheid van het Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954:

“3.4.3 Anders dan Nederland is België geen partij bij het Verdrag inzake de toegang tot de rechter in internationale gevallen (Trb. 1989, 114). Derhalve kan geen toepassing worden gegeven aan art. 14 van dat verdrag, dat bepaalt – kort gezegd – dat aan personen die hun gewone verblijfplaats hebben in een verdragsluitende staat, geen zekerheidstelling kan worden opgelegd, op grond van hetzij hun hoedanigheid van vreemdeling, hetzij gemis van woon- of verblijfplaats in de staat waar het geding wordt aanhangig gemaakt, wanneer zij als eiser of tussenkomende partij optreden voor de rechter van een andere verdragsluitende staat.

Evenals Nederland is België evenwel partij bij het Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954, waarvan art. 17 lid 1 inhoudt: ‘Geen zekerheidstelling of dépôt, onder welke benaming ook, kan op grond hetzij van hun hoedanigheid van vreemdelingen, hetzij van gemis van domicilie of verblijfplaats in het land, worden opgelegd aan de onderdanen van een der verdragsluitende Staten, die in een dier Staten hun domicilie hebben, wanneer zij als eisers of tussenkomende partijen voor de rechtbanken van een andere dier Staten optreden’.”

Vervolgens beoordeelt de Hoge Raad, die in een incident tot zekerheidsstelling als feitenrechter optreedt, de stellingen van eiser aan de hand van de overlegde bewijsstukken. Nu uit het procesverloop (zie par. 3.12 t/m 3.14 van de conclusie) blijkt dat de erven c.s. niet meer op deze stellingen en bewijsstukken hebben gereageerd, neemt de Hoge Raad de stellingen van eiser tot uitgangspunt. Bij die stand van zaken volgt uit art. 17 van het verdrag dat de vordering tot zekerheidstelling moet worden afgewezen, aldus de Hoge Raad in rov. 3.4.5.

De cassatieprocedure zal dus worden voortgezet tussen eiser en notaris Loof, als vereffenaar van de nalatenschap (en verweerster 2), zonder zekerheidstelling voor de proceskosten in cassatie.

 

email print