HR 16 november 2012, LJN BX5573 (X/Raad voor de Kinderbescherming)

Gelet op het fundamentele belang van het beginsel van hoor en wederhoor, waarvan de naleving essentieel is voor een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak, dient de rechter, indien sprake is van feiten of omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs twijfel kan bestaan of de oproep door de opgeroepene is ontvangen, onderzoek naar die ontvangst te doen en, indien daartoe aanleiding bestaat, de datum van de mondelinge behandeling te verplaatsen of een nieuwe mondelinge behandeling te bepalen.

Op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming zijn een moeder en een vader door de rechtbank ontheven van het ouderlijke gezag over hun minderjarig kind, met benoeming van Stichting Bureau Jeugdzorg tot voogdes over dit kind. Bij de mondelinge behandeling door de rechtbank waren de moeder en haar advocaat en de Stichting aanwezig. Tegen de beschikking van de rechtbank heeft de moeder hoger beroep ingesteld. Tijdens de mondelinge behandeling van dit beroep door het hof bleek alleen de Raad aanwezig. Volgens het proces-verbaal van het hof en zijn beschikking waren de moeder, haar advocaat, de vader, de stichting en de pleegouders van het kind “hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen”. Het hof heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.

De klacht van de moeder in cassatie was dat het hof ten onrechte zonder meer heeft aangenomen dat de moeder en haar advocaat behoorlijk zijn opgeroepen. Daarbij is erop gewezen dat de advocaat van de moeder daags voor de datum waarop het hof zijn beschikking heeft gegeven, bij de griffie van het hof heeft geïnformeerd naar de datum van de mondelinge behandeling. Toen zij hoorde dat die al had plaatsgevonden, heeft zij erop gewezen dat haar cliënte noch zijzelf een oproep voor de zitting hadden ontvangen en haar cliënte daarover evenmin van de pleegouders of de stichting had vernomen. Zij verzocht een nieuwe zitting te bepalen. De advocaat heeft deze mededelingen en dit verzoek herhaald in een op dezelfde dag per telefax verzonden brief. In zijn beschikking heeft het hof van deze brief geen melding gemaakt. In cassatie heeft de moeder deze brief en de verzendbevestiging ervan overgelegd. Verder heeft zij een brief van de griffie van het hof overgelegd waaruit bleek dat deze fax daadwerkelijk op het in het verzendbewijs genoemde tijdstip was ontvangen.

Ingevolge art. 419, tweede lid, Rv, kan de grondslag van een middel waarop het cassatieberoep steunt alleen worden gevonden in de bestreden uitspraak en in de stukken van het geding. Dat betekent dat in cassatie in beginsel niet voor het eerst stukken kunnen worden ingebracht ter ondersteuning van de aangevoerde rechts- en/of motiveringsklachten (wel voor andere beoordelingen, zoals die van de ontvankelijkheid). Stukken van het geding zijn die stukken waarvan de lagere rechter blijkens zijn uitspraak en de daarin vermelde stukken kennis heeft genomen, maar ook die stukken waarvan zich in cassatie eenvoudig laat vaststellen dat de lagere rechter deze moet hebben ontvangen. Van dat laatste was hier klaarblijkelijk sprake. De Hoge Raad stelt op grond van de in cassatie overgelegde stukken allereerst vast dat de klacht feitelijke grondslag vindt in de stukken van het geding.

De Hoge Raad acht het middel ook gegrond.

Gelet op art. 271 Rv kan bij de oproeping van partijen en verschenen belanghebbenden worden volstaan met een gewone brief, tenzij de rechter anders bepaalt. Uit de door de Advocaat-Generaal opgevraagde kopieën van de oproepingsbrieven bleek dat voor de oproeping deze gewone brieven waren gebruikt. De moeder was dus in beginsel deugdelijk opgeroepen. Om die reden concludeerde de Advocaat-Generaal tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad wijst echter op het belang van het beginsel van hoor en wederhoor:

“Gelet op het fundamentele belang van het beginsel van hoor en wederhoor, waarvan de naleving essentieel is voor een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak, dient de rechter evenwel, indien sprake is van feiten of omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs twijfel kan bestaan of de oproep door de opgeroepene is ontvangen, onderzoek naar die ontvangst te doen en, indien daartoe aanleiding bestaat, de datum van de mondelinge behandeling te verplaatsen of een nieuwe mondelinge behandeling te bepalen.” .

Toepassing van deze regel op de omstandigheden van dit geval leidt tot de volgende overwegingen:

“In dit geval zijn vijf van de zes opgeroepenen ter zitting niet verschenen, terwijl de moeder, haar advocaat en de stichting bij de zitting in eerste aanleg wel waren verschenen. De moeder verzet zich tegen de ontheffing. Het gaat bovendien om een maatregel die diep in de persoonlijke levenssfeer ingrijpt. Dit een en ander laat geen ander oordeel toe dan dat redelijkerwijs twijfel erover kon bestaan dat de oproep door de moeder was ontvangen, zodat het hof het hiervoor genoemde onderzoek had moeten doen of onmiddellijk een nieuwe behandeling had moeten gelasten.

In dit geval is bovendien (…) tijdig voor de uitspraak ter kennis van het hof gebracht dat de oproep niet is ontvangen door de moeder en haar advocaat. Onder deze omstandigheden bestond eens temeer grond om bedoeld onderzoek te doen. Het hof heeft dit onderzoek ten onrechte niet verricht.”

Volgt vernietiging en verwijzing naar een ander hof.

Share This