Selecteer een pagina

HR 20 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:396

Bij de vordering tot opheffing van een dwangsom op grond van art. 611d Rv gaat het erom of de veroordeelde redelijkerwijze al het mogelijke heeft gedaan om aan de hoofdveroordeling te voldoen. Daarbij is herstel in oude toestand niet reeds onmogelijk indien additionele voorzieningen ter voorkoming van schade noodzakelijk zijn.

Zwembad aan spouwmuur bibliotheek: inbreuk op eigendomsrecht

Aanleiding voor dit arrest is een burenruzie. Eisers en verweerders in cassatie wonen in twee (grotendeels) vrijstaande naburige woningen. De woning van verweerders is aan de linkerzijde (i.e. de naar de buren gerichte zijde) voorzien van een aanbouw, thans in gebruik als bibliotheek. Eisers hebben enkele jaren geleden aan de rechterzijde van hun huis (eveneens de naar de buren gerichte zijde) een zwembad gebouwd. De fundering van het (overdekte) zwembad is voor een deel gelegd onder de fundering van de bibliotheek van de buren.

Laatstgenoemden verzetten zich bij de rechter met succes tegen deze inbreuk op hun eigendomsrecht. Het hof Den Bosch heeft eisers tot cassatie veroordeeld de spouwmuur binnen twaalf weken na betekening van het arrest in de oude toestand te herstellen en de betonnen fundering onder de bibliotheek te verwijderen zonder de muur te beschadigen. Deze veroordeling is versterkt met een dwangsom van € 5000,- per dag, met een maximum van € 100.000,-. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Procedure ex art. 611d Rv

Eisers vorderen in dit geding voor hetzelfde hof opheffing, opschorting, dan wel vermindering van de gevorderde dwangsom, omdat het voor hen onmogelijk is om aan de hoofdveroordeling te voldoen (art. 611d Rv). Ter onderbouwing hebben zij diverse deskundigenrapporten overgelegd, waaruit zou blijken dat het onmogelijk is de fundering onder de spouwmuur te verwijderen zonder deze te beschadigen, zodat herstel in de oude toestand onmogelijk is geworden. Het hof wijst de vordering van eisers echter af. Het hof onderkent dat uit de deskundigenrapportage blijkt dat het “een lastig karwei” is, maar niet onuitvoerbaar. Het begrip “oude toestand” moet, aldus het hof ook niet al te letterlijk worden genomen:

“4.4 (…) Als het wegnemen van de door [eiser] aangebrachte fundering tot gevolg heeft dat voorzieningen ter voorkoming van schade aan de muur noodzakelijk worden die in de oude toestand niet noodzakelijk waren, betekent dit dat die voorzieningen getroffen moeten worden en niet dat herstel in de oude toestand onmogelijk is en er dus niets meer hoeft te gebeuren. (…)”

Hoge Raad: geen onmogelijkheid; geen ongeoorloofde aanvulling

In cassatie klagen eisers dat het Hof niet had mogen oordelen dat zich voor hen geen onmogelijkheid voordeed als bedoeld in art. 611d Rv.

Omdat art. 611d Rv berust op de Benelux-Overeenkomst houdende eenvormige wet betreffende de dwangsom en gelijkluidend is aan art. 4 lid 1 van de als bijlage bij dat verdrag gevoegde Eenvormige wet (hierna: EW), overweegt de Hoge Raad hoe laatstgenoemd artikel blijkens de rechtspraak van het Benelux Gerechtshof moet worden uitgelegd. Na te hebben geciteerd uit BenGH 27 juni 2008 (Oosterbosch/Hoho-Meers), overweegt de Hoge Raad:

“3.6.3 Van onmogelijkheid om aan de hoofdveroordeling te voldoen als bedoeld in art. 4 lid 1 EW is sprake indien zich een situatie voordoet waarin de dwangsom als dwangmiddel – dat wil zeggen: als geldelijke prikkel om nakoming van de veroordeling zoveel mogelijk te verzekeren – zijn zin verliest. Dit laatste moet worden aangenomen in een geval waarin niet tijdig aan de hoofdveroordeling is voldaan, indien het onredelijk zou zijn om meer inspanning en zorgvuldigheid te vergen dan de veroordeelde heeft betracht. (Vgl. BenGH 25 september 1986, zaak A 1984/5, ECLI:NL:XX:1986:AC9501, NJ 1987/909 (Van der Graaf/Agio)).

Het vorenstaande brengt mee dat de rechter uit hoofde van art. 4 lid 1 EW dient te onderzoeken of de veroordeelde sinds zijn veroordeling redelijkerwijze al het mogelijke heeft gedaan om aan de hoofdveroordeling te voldoen. De onmogelijkheid om de hoofdveroordeling uit te voeren moet dan ook in beginsel worden beoordeeld aan de hand van feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na de hoofdveroordeling. (Vgl. BenGH 29 april 2008, zaak A 2006/5/12, ECLI:NL:XX:2008:BD4245, NJ 2008/309 (Pet Center/Schouten))”

De Hoge Raad oordeelt dat het hof met gebruikmaking van de door het BenGH ontwikkelde maatstaf heeft onderzocht of het onredelijk zou zijn om van eiser meer inspanning en zorgvuldigheid te vergen dan zij hebben betracht en of eiser sinds zijn veroordeling redelijkerwijze al het mogelijke heeft gedaan om aan de hoofdveroordeling te voldoen. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen de mogelijkheden die eiser ter beschikking staan om de spouwmuur van de bibliotheek in oude toestand te herstellen. Anders dan eiser in cassatie had aangevoerd, heeft het hof hiermee, in het kader van de uitoefening van zijn bevoegdheid van art. 611d lid 1 Rv, de eerder door het hof uitgesproken hoofdveroordeling uitgelegd, maar niet verbeterd, aangevuld of gewijzigd (r.o. 3.7.2).

Ook de andere klachten van eiser slagen niet, onder meer omdat de lezing en waardering van de in het geding gebrachte deskundigenrapporten voorbehouden is aan de feitenrechter en in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden onderzocht (r.o. 3.7.4). De Hoge Raad overweegt dat de oordelen van het hof met betrekking tot deze stukken niet onbegrijpelijk zijn. Ook de klacht van eiser dat het hof is voorbijgegaan aan de gevolgen die zijn verbonden aan het mogelijk verbeuren van de (volledige) dwangsommen faalt, nu een beoordeling hiervan niet toekomt aan de rechter die op voet van art. 611d Rv oordeelt over de onmogelijkheid om aan de hoofdveroordeling te voldoen, maar aan de rechter die oordeelt in een executiegeschil (r.o. 3.7.5).

De Hoge Raad verwerpt aldus het cassatieberoep. Met dit oordeel volgt de Hoge Raad niet de conclusie van de Advocaat-generaal Wesseling-van Gent. De A-G nam eveneens de jurisprudentie van het BenGH tot uitgangspunt, maar concludeerde tot vernietiging van het arrest van het hof, onder meer omdat zij van oordeel was dat het hof ten onrechte de hoofdveroordeling had aangepast en een onjuiste rechtsopvatting van het begrip onmogelijkheid in art. 611d Rv had gehanteerd (conclusie, par. 3.17).

Share This