HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:298 (Sypesteyn c.s. / mr. Dekker q.q.)

Het feit dat de wederpartij haar statutaire zetel – en dus haar woonplaats in de zin van art. 1:10 BW – in Nederland heeft, staat in de weg aan het toewijzen van een incidentele vordering tot zekerheidstelling ex art. 224 Rv. Dit wordt niet anders door de omstandigheid dat deze partij een vestigingsadres heeft in een land dat niet is aangesloten bij het Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954 (i.c. in Dubai, Verenigde Arabische Emiraten) en dat de in Nederland geen verhaal mogelijk is voor de proceskosten.

Ingevolge art. 224 Rv kan een partij een vordering tot het stellen van zekerheid voor de voldoening van de proceskosten indienen als zijn wederpartij geen woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Wijst de rechter de gevorderde zekerheidstelling toe, maar voldoet de veroordeelde partij daar niet aan, dan kan deze partij niet-ontvankelijk verklaard worden in de procedure waarvoor de zekerheidstelling werd gevraagd (art. 616 Rv).

In de onderhavige procedure hebben drie partijen (Sypesteyn Holding, SCPD Holding en Crescendo Investment Group; hierna gezamenlijk aan te duiden met Sypesteyn c.s.) – alledrie met een vestigingsadres in Dubai in Verenigde Arabische Emiraten – verzet aangetekend tegen het faillissement dat op 10 maart 2015 over hen werd uitsproken. Het faillissement was aangevraagd bij de Amsterdamse rechtbank door de curator van Rondenborch Residentials BV.

Deze BV heeft een vordering van ongeveer € 57.000,- op Cresendo (eiseres tot cassatie 2) en van ongeveer 15 miljoen euro op SCPD (eiseres tot cassatie 2). Sypesteyn Holding (eiseres tot cassatie 1) is als (indirect) bestuurder en aandeelhouder verbonden met deze beide vennootschappen.

In de verzetprocedure heeft de curator (enkel) ten aanzien van Sypesteyn een incidenteel verzoek tot zekerheidstelling voor de proceskosten ingediend. De rechtbank heeft het verzet afgewezen en het incidentele verzoek tot zekerheidstelling afgewezen. In het door Sypesteyn c.s. ingestelde hoger beroep heeft de curator opnieuw (art. 242 jo. 353 Rv) een vordering tot zekerheidstelling ingediend. Ditmaal werd dit verzoek toegewezen. Het hof legde aan deze beslissing ten grondslag dat Sypesteyn een vestigingsadres heeft in Dubai (Verenigde Arabische Emiraten) en dus in een land dat geen partij is bij het Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954 en dat tegen Sypesteyn in Nederland geen verhaal mogelijk is voor de proceskosten.

Ondanks de weigering van het hof om – desverzocht – tussentijds cassatieberoep open te stellen, heeft Sypesteyn tussentijds cassatieberoep ingesteld. De Hoge Raad deed op 19 februari 2016 óók uitspraak in dit tussentijdse cassatieberoep. Geheel in lijn met de vaste jurisprudentie is de curator daarin niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van verlof (HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:294).

Sypesteyn had in dit tussentijdse beroep wederom zekerheidstelling gevorderd, ditmaal voor de proceskosten in cassatie (art. 224 jo. 414 Rv). De afwijzende beslissing van de Hoge Raad op dat incident was een voorbode voor de beslissing in de onderhavige procedure. De Hoge Raad oordeelde namelijk dat (niet in geschil is dat) Sypesteyn statutair gevestigd is in Amsterdam en dat zij dus, gezien art. 1:10 lid 2 BW woonplaats heeft in Nederland. Daarmee was niet voldaan aan de voorwaarden die art. 224 Rv stelt voor zekerheidstelling (HR 6 november 20015, ECLI:NL:HR:2016:3239) en dus wees de Hoge Raad het verzoek tot zekerheidstelling af.

Het is dan ook niet verrassend dat de Hoge Raad in het tweede cassatieberoep, ingesteld tegen de einduitspraak in de hoofdprocedure én (opnieuw) de tussenuitspraak in het incident, ten aanzien van die tussenuitspraak oordeelt dat er geen grond was voor het hof om Sypesteyn op de voet van art. 224 Rv te bevelen zekerheid te stellen voor de proceskosten. In het verlengde daarvan oordeelt de Hoge Raad dat het hof ten onrechte Sypesteyn niet-ontvankelijk verklaarde in haar hoger beroep op de grond dat zij niet had voldaan aan het bevel tot zekerheidsstelling.

De overige klachten van Sypesteyn c.s., die zagen op de hoofdprocedure inzake het verzet tegen de faillietverklaring als zodanig, zijn met toepassing van art. 81 RO verworpen. De Hoge Raad vernietigt dan ook de tussenuitspraak en de einduitspraak, maar met de uitdrukkelijke vermelding dat die laatste uitspraak slechts wordt vernietigd voor zover het hof Sypesteyn daarin niet-ontvankelijk verklaarde en haar in de proceskosten heeft veroordeeld. Dit is in lijn met de vaste jurisprudentie dat wanneer het belang in de hoofdzaak is komen te vervallen, er toch voldoende procesbelang is gelegen in de proceskostenveroordeling (zie bijv. HR 4 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:AX9705).

De Hoge Raad onderschrijft dus niet de gedachte van Timmerman dat Sypesteyn “kennelijk het dispuut over de proceskostenveroordeling in haar verzoekschrift tot cassatie [heeft] laten varen. Daarop kan men bij repliek niet terugkomen”. Dit laatste acht de Hoge Raad dus niet bezwaarlijk. Dit strookt ook met het gegeven dat een procespartij niet afzonderlijk hoeft te klagen over de proceskostenveroordeling als een daaraan ten grondslag liggend oordeel (hier: de niet-ontvankelijkverklaring) wordt bestreden. Bovendien dient de rechter het belang ambtshalve te toetsen. Ook tegen die achtergrond moet het mogelijk zijn om – indien de wederpartij het vereiste belang ter discussie stelt – bij repliek dit belang nader te onderbouwen met een beroep op de hiervoor genoemde rechtsregel dat de proceskostenveroordeling op zichzelf voldoende belang oplevert.

Share This