HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:666 (Astellas/Synthos)

Het ontbreken van spoedeisend belang kon de aanhouding van de beslissing omtrent de proceskostenveroordeling in eerste aanleg, in afwachting van de uitkomst van de bodemprocedure, niet rechtvaardigen, mede gelet op de onbepaalde en mogelijk (zeer) lange duur van die aanhouding.

In deze octrooizaak heeft Astellas een kort geding aangespannen tegen Synthon om haar te verbieden om inbreuk op Astellas’ octrooi te maken. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen afgewezen en Astellas in de kosten veroordeeld.

Astellas heeft hoger beroep ingesteld. Het materiële belang was inmiddels komen te vervallen, omdat het octrooi geëxpireerd was. Astellas heeft daarom haar eis gewijzigd en – naast veroordeling tot verstrekking van namen en adressen van de producenten van Synthon-producten – veroordeling van Synthon in de proceskosten in beide instanties gevorderd. Ter zitting hebben partijen aan het hof meegdeeld dat de inbreukvraag ook in een inmiddels aanhangige bodemprocedure voorlag.

Het hof onderkent dat Astellas reeds ontvankelijk is vanwege de proceskostenveroordeling in eerste aanleg, maar ziet aanleiding om de beslissing omtrent de proceskostenveroordeling aan te houden totdat in de bodemprocedure onherroepelijk is beslist over de inbreukvraag. Het hof hecht in dit verband belang aan het feit dat ten aanzien van de proceskostenveroordeling spoedeisend belang ontbreekt.

Astellas heeft cassatieberoep ingesteld en bestrijdt enerzijds het argument dat spoedeisend belang bij een beslissing omtrent de proceskostenveroordeling ontbreekt. Anderzijds komt zij op tegen het argument dat reeds een bodemprocedure aanhangig is.

Eis van spoedeisendheid in appel tegen proceskostenveroordeling

Het is vaste rechtspraak dat de enkele proceskostenveroordeling in eerste aanleg voldoende belang oplevert om ontvankelijk te zijn in hoger beroep. Dus ook als het oorspronkelijke belang inmiddels is komen te vervallen, dan kan de partij die in eerste aanleg in het ongelijk werd gesteld en in de kosten werd veroordeeld, zich tot de appelrechter wenden. Deze zal vervolgens een inhoudelijk oordeel moeten vellen over de beslissing in eerste aanleg, omdat eerst uit die inhoudelijke beoordeling zal blijken of de proceskostenveroordeling in stand kan blijven of niet. De hoofdregel is immers dat de in het ongelijk gestelde partij in de kosten wordt veroordeeld (art. 237 Rv).

Zoals ook in HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:661, werd overwogen,  moet de appelrechter onderzoeken of de vordering die in eerste aanleg ter beoordeling voorlag terecht is toe- of afgewezen. Hij zal daarbij rekening moeten houden met het in appel gevoerde debat en de toestand zoals die zich voordoet ten tijde van zijn beslissing in hoger beroep, afgezien van de omstandigheid dat het spoedeisend belang inmiddels is komen te vervallen. Naar het oordeel van de Hoge Raad heeft het hof echter – anders dan het hof in het arrest dat voorlag in HR 15 april 2016, ECLI;nl:HR:2016:661, CB 2016-76 –  niet miskend dat geen spoedeisend belang vereist is voor de vordering tot vernietiging van het vonnis, voorzover Astellas daarin is veroordeeld in de proceskosten.

“3.6.3 (…) De overweging van het hof dat Astellas weliswaar belang, maar geen spoedeisend belang heeft bij beoordeling van de proceskostenveroordeling in eerste aanleg, diende immers slechts ter motivering van zijn beslissing om de beoordeling van de grieven en de beslissing ter zake van de proceskosten voorlopig aan te houden.”

Aanhouding in afwachting van beslissing in bodemprocedure

De aanhouding van de beslissing omtrent de proceskosten, in afwachting van de uitkomst van de bodemprocedure kan echter niet door de beugel. De Hoge Raad wijst op de rechterlijke taak om te waken tegen onredelijke verraging van het geding (art. 20 lid 1 Rv), hetgeen óók in kort geding geldt. En dus zal de rechter, wanneer partijen om uitspraak hebben gevraagd en geen nadere instructies nodig zijn, in beginsel uitspraak moeten doen.

“3.7.1 (…) De rechter kan echter in bepaalde, door hem (in het proces-verbaal van de zitting of in een tussenuitspraak) te vermelden omstandigheden aanleiding zien de einduitspraak aan te houden. Zo is denkbaar dat de rechter in kort geding, in verband met de regel dat hij zijn uitspraak dient te richten naar de waarschijnlijke uitkomst van de bodemprocedure (HR 21 april 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1705, NJ 1996/462), zijn uitspraak – indien de spoedeisendheid daaraan niet in de weg staat – aanhoudt op de grond dat de uitspraak in de bodemprocedure binnenkort te verwachten valt.”

Dat laatste was echter in deze zaak niet het geval. Mede gelet op de onbepaalde en daarom mogelijk (zeer) lange duur van de door het hof bepaalde aanhouding, zijn de aan zijn beslissing tot aanhouding ten grondslag gelegde omstandigheden – dat het belang van Astellas bij beoordeling van de in eerste aanleg uitgesproken proceskostenveroordeling niet spoedeisend is en dat inmiddels een bodemprocedure over de inbreukvraag aanhangig is – in het licht van de zojuist geciteerde rechtsoverweging, onvoldoende om die aanhouding te kunnen rechtvaardigen. De daarop gerichte klachten van de middelen in de beide beroepen zijn derhalve gegrond.

Share This