Selecteer een pagina

HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3654 (Eiser/Achmea)

Indien een op verzoek van een partij of op gezamenlijk verzoek van partijen uitgebracht deskundigenrapport in het geding is gebracht, is het aan de rechter om te beoordelen welke waarde daaraan moet worden toegekend (art. 152 lid 2 Rv). Het staat de rechter vrij om bij zijn beoordeling van het geschil een dergelijk rapport tot uitgangspunt te nemen, ook als in het partijdebat bezwaren zijn geuit tegen de wijze van totstandkoming of de inhoud daarvan.

Achtergrond

Volgens vaste rechtspraak is de feitenrechter vrij in het al of niet bevelen van een deskundigenbericht (zie bijvoorbeeld HR 6 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8457, NJ 2003/63, rov. 3.5). Ook de waardering van een deskundigenbericht is aan de feitenrechter overgelaten: bij het al of niet volgen van de deskundige heeft de rechter slechts een beperkte motiveringsplicht (zie bijvoorbeeld HR 5 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN8478, NJ 2004/74). Wel dient de feitenrechter te responderen op voldoende specifieke bezwaren tegen de zienswijze van de door hem benoemde en gevolgde deskundige (zie bijvoorbeeld HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2921, NJ 2011/599 en CB 2011-109)).

In de onderhavige zaak gaat het om de waardering van een op gezamenlijk verzoek van partijen uitgebracht deskundigenrapport. In lijn met genoemde rechtspraak laat de Hoge Raad ook in dat kader veel vrijheid aan de feitenrechter. Met name is de feitenrechter niet gehouden om in geval van bezwaren tegen het partijdeskundigenrapport zélf een deskundige te benoemen, zo oordeelt de Hoge Raad.

Feiten en procesverloop

Partijen verschillen van mening over de omvang van de inkomensschade die eiser, een voormalig accountant, heeft geleden als gevolg van een hem in 1997 overkomen verkeersongeval, waarvoor Achmea als WAM-verzekeraar van de veroorzaker aansprakelijkheid heeft erkend.

Voorafgaand aan deze procedure hebben eiser en Achmea in onderling overleg een “wederzijds adviseur” aangesteld, die (niet als bindend adviseur maar in beginsel vrijblijvend) de totale schade wegens verlies aan arbeidsvermogen heeft berekend op een bedrag van € 355.718,-. Op basis van diens rapport heeft een door Achmea ingeschakelde deskundige, Laumen, de schade in 2004 (nader) berekend op € 278.833,22. Een door eiser ingeschakelde deskundige begrootte de schade daarentegen op € 845.321,-.

In dit geding vordert eiser schadevergoeding, uitgaande van een beweerd verlies van arbeidsvermogen ten bedrage van € 941.780,17. In navolging van de rechtbank heeft het hof de schadeberekeningen van de wederzijdse adviseur en Laumen (de partijdeskundige zijdens Achmea) tot uitgangspunt genomen, met dien verstande dat het hof een onafhankelijke deskundige heeft benoemd om (niet de schade opnieuw te berekenen maar enkel) te toetsen of de wederzijdse adviseur en Laumen in redelijkheid tot hun bevindingen hebben kunnen komen, mede in het licht van de veel hoger uitvallende berekening van de door eiser ingeschakelde deskundige. Het resultaat van deze marginale toetsing was dat de schade wegens verlies aan arbeidsvermogen door het hof werd gesteld op een bedrag van € 325.341,22.

Cassatie

In cassatie klaagt eiser dat ’s hofs schadeberekening aan de hand van de rapporten van de partijdeskundigen (de wederzijdse adviseur van beide partijen en de partijdeskundige zijdens Achmea) onjuist dan wel onbegrijpelijk is. Volgens eiser had het hof zich een eigen oordeel moeten vormen over de uitgangspunten van de schadeberekening en had het daartoe een onafhankelijke deskundige moeten benoemen, in plaats van te volstaan met een marginale toetsing van de berekeningswijze van de partijdeskundigen.

Deze klacht faalt. De Hoge Raad stelt de eerder genoemde vrijheid van de feitenrechter bij de waardering van het (partij)deskundigenbericht voorop:

“Het is overgelaten aan de rechter die over de feiten oordeelt of hij een deskundigenbericht gelast (art. 194 lid 1 Rv). Indien een op verzoek van een partij of op gezamenlijk verzoek van partijen uitgebracht deskundigenrapport in het geding is gebracht, is het aan de rechter om te beoordelen welke waarde daaraan moet worden toegekend (art. 152 lid 2 Rv). Gelet hierop staat het de rechter ook vrij om bij zijn beoordeling van het geschil een dergelijk rapport tot uitgangspunt te nemen, ook als in het partijdebat bezwaren zijn geuit tegen de wijze van totstandkoming of de inhoud daarvan. Hetzelfde geldt als een partij voorafgaand aan de totstandkoming van een op gezamenlijk verzoek van partijen uit te brengen rapport, te kennen heeft gegeven zich niet aan het rapport gebonden te zullen achten. Het is aan de rechter of hij voor de waardering van een dergelijk rapport in het licht van de bezwaren die een partij daartegen heeft ingebracht, behoefte heeft aan voorlichting door daartoe door hemzelf benoemde deskundigen (art. 194 Rv). Het daaropvolgende bewijsoordeel van de rechter is van feitelijke aard en kan in cassatie alleen op begrijpelijkheid worden onderzocht.”

Tegen deze achtergrond heeft het hof bij de begroting van de schade wegens verlies van arbeidsvermogen het op gezamenlijk verzoek van partijen tot stand gekomen rapport van de wederzijdse adviseur en de daarop gebaseerde berekeningen van Laumen tot uitgangspunt mogen nemen. De bezwaren van eiser tegen dat rapport en die berekeningen heeft het hof beoordeeld met behulp van voorlichting door onafhankelijke deskundigen. Deze handelwijze stond het hof vrij, aldus de Hoge Raad (rov. 3.4.2).

A-G Spier concludeerde in gelijke zin. Hij begreep en sanctioneerde ’s hofs oordeel aldus dat de berekening van schade als de onderhavige “redelijkerwijs op verschillende manieren” kan gebeuren, die “ieder de toets der juridische kritiek kunnen doorstaan” (conclusie, sub 4.4.1).

Share This