HR 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1128 (Staat der Nederlanden / verweerder)

1. De rechter die in kort geding moet beslissen op een vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening nadat de bodemrechter reeds een uitspraak in de hoofdzaak heeft gedaan, dient zijn uitspraak in beginsel af te stemmen op het oordeel van de bodemrechter, ook al is er een rechtsmiddel tegen die uitspraak ingesteld (afstemmingsregel) 2.Het vorenstaande geldt in beginsel ook indien de rechtmatigheid van een bestuursbesluit door de bestuursrechter is beoordeeld (formele rechtskracht). 3. De civiele (kort geding) rechter is bij de beoordeling van een geschilpunt dat niet de geldigheid van het besluit betreft echter niet gebonden aan de inhoudelijke overwegingen van de bestuursrechter.

Korte schets van de casus

In de voorliggende zaak vordert de Staat (de Belastingdienst) in kort geding naleving van de informatieplicht van art. 47 AWR, zulks op straffe van een dwangsom (zie ook het eerdere bericht op cassatieblog over de arresten die de Hoge Raad op dezelfde dag in vergelijkbare zaken heeft gewezen). De voorzieningenrechter verleende de gevraagde voorzieningen. In de bodemprocedure had het hof Amsterdam eerder geoordeeld dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat verweerder houder is (geweest) van een rekening bij de KB-Lux bank. Het cassatieberoep dat verweerder tegen deze uitspraak in de bodemprocedure instelde werd verworpen. Voordat de Hoge Raad uitspraak deed in de bodemzaak vernietigde het hof Amsterdam, oordelend in het hoger beroep van eerdergenoemd kort geding, evenwel het vonnis van de voorzieningenrechter en weigerde alsnog de gevraagde voorzieningen. Het hof legde aan dit oordeel onder meer ten grondslag dat in de bodemzaak nog niet onherroepelijk was beslist over (de juistheid van) de identificatie van verweerder nu in die procedure cassatieberoep was ingesteld. Het hof overwoog vervolgens dat de gevraagde voorziening een verstrekkend karakter heeft en oordeelde dat nu onzeker was hoe zou worden beslist in de cassatieprocedure, het hof de vorderingen van de Staat te verstrekkend acht om toe te wijzen.

Cassatie

In cassatie klaagt de Staat dat het Hof met zijn oordeel heeft miskend dat (i) de burgerlijke rechter in beginsel dient uit te gaan van de bindende kracht van de uitspraak van de bestuursrechter en (ii) de rechter die in kort geding moet beslissen op een vordering tot het geven van een voorlopige voorziening nadat de bodemrechter reeds een uitspraak in de hoofdzaak heeft gedaan, zijn uitspraak in beginsel dient af te stemmen op het oordeel van de bodemrechter, ook al is er een rechtsmiddel tegen die uitspraak ingesteld (de afstemmingsregel).

De Hoge Raad plaatst het volgende voorop:

“3.3.2 De rechter die in kort geding beslist op een vordering tot het geven van een voorlopige voorziening nadat de civiele bodemrechter een vonnis in de hoofdzaak heeft gewezen, dient in beginsel zijn vonnis af te stemmen op het oordeel van die bodemrechter, ongeacht of dit oordeel is gegeven in een tussenvonnis of in een eindvonnis, in de overwegingen of in het dictum van het vonnis, en ongeacht of het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. (…)”.

De Hoge Raad overweegt vervolgens dat onder omstandigheden er plaats kan zijn voor het aanvaarden van uitzonderingen op dit uitgangspunt. Dit is bijvoorbeeld het geval indien het vonnis van de civiele bodemrechter klaarblijkelijk op een misslag berust. Ook indien sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden dat moet worden aangenomen dat de bodemrechter, ingeval hij daarvan op de hoogte zou zijn geweest, tot een andere beslissing zou zijn gekomen, kan een uitzondering op de afstemmingsregel worden aanvaard. Dit alles is in overeenstemming met de eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad (zie onder meer HR 7 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0015). De Hoge Raad overweegt dat de ratio van de afstemmingsregel is dat de rechtsverhouding tussen partijen in een contradictoir gevoerde civiele bodemprocedure, anders dan in kort geding in beginsel bindend tussen partijen wordt vastgesteld, afgezien van de mogelijkheid daartegen een rechtsmiddel in te stellen (r.o. 3.3.3).

De Hoge Raad komt vervolgens toe aan het kernpunt van de voorliggende zaak, namelijk de vraag in hoeverre in kort geding de civiele rechter zijn oordeel dient af te stemmen op de uitspraak van de bestuursrechter. De Hoge Raad overweegt:

“3.3.4 Indien in kort geding van de civiele rechter wordt verlangd dat hij een voorlopige voorziening treft voor de beoordeling waarvan de rechtmatigheid van een bestuursbesluit waartegen beroep bij de bestuursrechter is ingesteld, van belang is, dient hij, indien de uitspraak van de bestuursrechter niet kan worden afgewacht, zijn oordeel over die rechtmatigheid af te stemmen op de uitspraak die van de bestuursrechter mag worden verwacht (vgl. onder meer HR 18 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1267, NJ 1995/718). Indien op dit punt reeds door de bestuursrechter is geoordeeld, maar tegen diens uitspraak een rechtsmiddel is ingesteld, dient de rechter in kort geding in beginsel zijn vonnis af te stemmen op het oordeel van de bestuursrechter op gelijke wijze als hiervoor in 3.3.2 is vermeld. Daaraan ligt dan de bevoegdheidsverdeling tussen de civiele rechter en de bestuursrechter – en het beginsel van formele rechtskracht ten grondslag.

Het beginsel van formele rechtskracht brengt echter niet mee dat de burgerlijke rechter – de voorzieningenrechter daaronder begrepen – bij de beoordeling van een geschilpunt dat niet de geldigheid van het besluit betreft, is gebonden aan de inhoudelijke overwegingen die ten grondslag liggen aan het oordeel van de bestuursrechter over dat besluit (vgl. HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:661 (SNS Bank), rov. 4.5.2). Indien een voorlopige voorziening wordt gevraagd in een geval waarin mede feiten van belang zijn die in het oordeel van de bestuursrechter zijn betrokken, dient de civiele rechter zich dus zelfstandig een oordeel te vormen over die feiten.”

De Hoge Raad overweegt vervolgens (r.o. 3.4.1) dat het in een civielrechtelijk kort geding oordelende hof in dit geval niet was gebonden aan het oordeel van de belastingkamer van het hof over de identificatie van verweerder als rekeninghouder. Ook diende het niet zijn uitspraak in beginsel af te stemmen op het oordeel van de belastingrechter:

“3.4.1 In geschil was immers niet of sprake was van rechtmatige (navorderings)aanslagen, maar of [verweerder] rekeninghouder bij KB-Lux was, of is geweest. Het oordeel daarover betreft een zuiver feitelijke kwestie waarvoor de afstemmingsregel niet geldt.”

De Hoge Raad overweegt vervolgens echter:

“Het hof heeft de gevraagde voorzieningen geweigerd op de gronden dat het oordeel van de belastingrechter nog niet onherroepelijk is geworden en dat de gevraagde voorzieningen een vérstrekkend karakter hebben. De eerste grond kan zijn beslissing niet dragen, gelet op hetgeen hiervoor in 3.3.4 is overwogen over de betekenis van het desbetreffende oordeel van de belastingrechter in het onderhavige kort geding. De tweede grond is onvoldoende motivering voor afwijzing indien – zoals de Staat heeft betoogd, maar het hof in het midden heeft gelaten – de stukken van het geding het oordeel rechtvaardigen dat [verweerder] houder is geweest van de desbetreffende rekening bij KB-Lux. Weliswaar kan de in kort geding oordelende civiele rechter ook buiten het geval van een executiegeschil een voorziening weigeren op grond van een belangenafweging, maar in een zodanig geval dient hij voldoende inzicht te geven in zijn gedachtegang.”

De Hoge Raad vernietigt, conform de conclusie van de advocaat-generaal Wattel, het arrest van het gerechtshof Amsterdam en verwijst het geding naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing. De Staat werd in cassatie bijgestaan door Hans van Wijk en Nicoline Bergman en bij het Hof door Wemmeke Wisman.

Share This