Selecteer een pagina

HR 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1787 en ECLI:NL:HR:2019:1788

(1) Voor voeging is vereist dat de partij die voeging vordert, nadelige gevolgen kan ondervinden van een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij aan wier zijde zij zich voegt. Onder nadelige gevolgen zijn in dit verband te verstaan de feitelijke of juridische gevolgen die de toe- dan wel afwijzing van de in die procedure ingestelde vordering of het gezag van gewijsde van in de uitspraak in die procedure gegeven eindbeslissingen zal kunnen hebben voor degene die de voeging vordert.
(2) Aan een vordering tot voeging in een volgende instantie staat niet in de weg dat de partij die voeging vordert zelf geen rechtsmiddel heeft ingesteld tegen de uitspraak.

In twee uitspraken van 15 november 2019 heeft de Hoge Raad geoordeeld over incidentele vorderingen tot voeging in cassatie. Voeging is, ook in cassatie, mogelijk als de partij die voeging vraagt daarbij belang heeft zoals vereist door art. 217 Rv.

ECLI:NL:HR:2019:1787: voeging dkoor een mede-geïntimeerde die zelf geen cassatieberoep heeft ingesteld.

De eerste zaak betreft een (kort geding)procedure tussen Omni en Trameta over de executie van een in beslag genomen partij gas van Naftogaz. Naftogaz is in deze procedure in eerste aanleg als gevoegde partij toegelaten (haar primaire vordering tot tussenkomst werd afgewezen). In het – door Trameta ingestelde – hoger beroep tegen de toewijzing van de vordering was Naftogaz samen met Omni mede-geïntimeerde. Daarnaast heeft Naftogaz ook zelf hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar primaire vordering tot tussenkomst en opnieuw (ook incidenteel) tussenkomst gevorderd.

In hoger beroep heeft het hof het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en zich onbevoegd verklaard om van de vordering van Omni kennis te nemen. Daarnaast heeft het hof (in het eigen appel van Naftogaz en ook op haar incidentele vordering) beslist dat de Nederlandse rechter ook onbevoegd is om kennis te nemen van de vordering van Naftogaz.

Er volgt een cassatieberoep van Omni tegen Trameta, maar geen (eigen) cassatieberoep van Naftogaz. Wel vordert Naftogaz om zich in de cassatieprocedure tussen Omni en Trameta te mogen voegen aan de zijde van Omni. Dit doet de vraag rijzen of Naftogaz zich in cassatie opnieuw mag voegen, nu zij zelf geen cassatieberoep heeft ingesteld tegen de arresten van het hof in de beide appelprocedures.

De Hoge Raad herhaalt eerst zijn vaste maatstaf voor de beoordeling of een partij belang (als bedoeld in art. 217 Rv) heeft om zich in een procedure tussen andere partijen te mogen voegen:

“Eenieder die belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, kan vorderen zich daarin te mogen voegen (art. 217 Rv). Voor het aannemen van een zodanig belang is voldoende dat de partij die voeging vordert, nadelige gevolgen kan ondervinden van een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij aan wier zijde zij zich voegt. Onder nadelige gevolgen zijn in dit verband te verstaan de feitelijke of juridische gevolgen die de toe- dan wel afwijzing van de in die procedure ingestelde vordering of het gezag van gewijsde van in de uitspraak in die procedure gegeven eindbeslissingen zal kunnen hebben voor degene die de voeging vordert.”

De Hoge Raad beslist verder dat de enkele omstandigheid dat een partij zelf geen cassatieberoep heeft ingesteld, niet uitsluit dat die partij een gerechtvaardigd belang erbij kan hebben om via een vordering tot voeging in de volgende instantie, betrokken te blijven bij het geding en het standpunt van de ‘hoofdpartij’ te ondersteunen.

Naftogaz heeft in dit geval voldoende belang bij voeging in cassatie: zij kan volgens de Hoge Raad nadelige gevolgen ondervinden van de afwijzing van de vordering van Omni om – kort gezegd – een gedeelte van de executieopbrengst apart te zetten totdat duidelijk is welke partij een vordering op Naftogaz heeft, welke partij terzake inningsbevoegd is, en hoe Naftogaz bevrijdend kan betalen. Er is verder niet gebleken van strijd met de goede procesorde of misbruik van bevoegdheid, in welk geval de incidentele vordering tot voeging zou kunnen worden afgewezen.

Het feit dat Naftogaz zelf geen cassatieberoep tegen de arresten van het hof heeft ingesteld, brengt wel mee dat haar rol in de cassatie beperkt is (zoals dat overigens bij iedere gevoegde partij het geval is):

“Toewijzing van Naftogaz’ vordering tot voeging leidt niet ertoe dat Naftogaz alsnog cassatieklachten kan aanvoeren tegen de beslissingen van het hof in het principaal hoger beroep, het incidenteel hoger beroep, dan wel het incident tot tussenkomst. Evenmin kan Naftogaz door middel van voeging opkomen tegen haar veroordeling in de proceskosten in het incidenteel hoger beroep en het incident tot tussenkomst. Naftogaz had zelf beroep in cassatie moeten instellen om cassatieklachten te kunnen aanvoeren en om te kunnen opkomen tegen haar veroordeling in de proceskosten. Als gevoegde partij aan de zijde van Omni in het geding in cassatie tussen Omni en Trameta, is Naftogaz gebonden aan de rechtsstrijd zoals die door het cassatiemiddel van Omni is bepaald, en kan Naftogaz zich slechts aansluiten bij het standpunt van Omni en dit ondersteunen.”

ECLI:NL:HR:2019:1788: voeging door het Zorginstituut in een procedure over de clustering van geneesmiddelen

In de tweede zaak gaat het om een procedure tussen Biogen (een fabrikant van geneesmiddelen) en de Staat over de clustering van bepaalde geneesmiddelen in het geneesmiddelenvergoedingssysteem (GVS). Deze clustering vindt plaats bij ministeriële regeling, na advies van het Zorginstituut Nederland (hierna: het Zorginstituut); zie art. 2.50 van de Regeling zorgverzekering (Rzv).

In de zaak tussen Biogen en de Staat heeft het hof bij arrest van 29 januari 2019 (ECLI:NL: GHDHA:2019:2018) geoordeeld dat de Staat met de clustering in dit geval onmiskenbaar onrechtmatig heeft gehandeld jegens Biogen. De Staat heeft tegen dit arrest cassatieberoep ingesteld.

In cassatie heeft het Zorginstituut een incidentele vordering tot voeging ingesteld. Onder verwijzing naar de wettelijke adviestaak van het Zorginstituut (art. 2.50 lid 4 Rzv) oordeelt de Hoge Raad dat het Zorginstituut inderdaad belang heeft bij voeging in cassatie, omdat de uitkomst van de cassatieprocedure kan raken aan de beoordelingsmethodiek en het beleid van het Zorginstituut:

“Een en ander brengt mee dat de beslissing van de Hoge Raad op het hiervoor in 2.1 genoemde geschilpunt ook kan raken aan de beoordelingsmethodiek en het beleid van het Zorginstituut met betrekking tot de aard, inhoud en omvang van het verzekerd pakket, en die methodiek en dat beleid kan doorkruisen. Het Zorginstituut heeft derhalve belang bij voeging.”

Deze beslissing van de Hoge Raad sluit aan bij HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:306, CB 2017-53, waarin de Hoge Raad het Zorginstituut toeliet als gevoegde partij in een cassatieprocedure over de vraag of een bepaalde hernia-behandeling deel uitmaakte van de ‘stand van de wetenschap en praktijk’ in de zin van art. 2.1 lid 2 Besluit zorgverzekering. Ook ten aanzien van die vraag heeft het Zorginstituut een wettelijke taak, waarvoor de uitkomst van de hoofdzaak in dat geval nadelige gevolgen zou kunnen hebben.

Het Zorginstituut en de Staat zijn in deze zaak bijgestaan door Karlijn Teuben en in feitelijke instanties door Marije Batting.

Share This