HR 15 december 2017 ECLI:NL:HR:2017:3151

Partijen hebben in beginsel recht op pleidooi en de kantonrechter heeft miskend dat eiseres in beginsel het recht had om haar standpunt bij pleidooi toe te lichten en heeft ten onrechte haar verzoek om pleidooi afgewezen.

De feiten

Verweerder heeft als advocaat werkzaamheden verricht voor eiseres en haar daarvoor facturen gezonden. Eiseres heeft die facturen onbetaald gelaten. Verweerder vordert betaling van het totaal bedrag van de facturen. Eiseres heeft verweer gevoerd en een reconventionele vordering ingesteld. De kantonrechter heeft beslist dat de zaak zich niet leende voor een comparitie van partijen. Vervolgens heeft de kantonrechter het verzoek om pleidooi afgewezen op de gronden (I) dat een pleidooi waarin de volle omvang van de zaak weer aan de orde kan komen in deze zaak niet gerechtvaardigd is en (II) dat zo’n verzoek leidt tot een onredelijke vertraging van de procedure.

In cassatie

In cassatie klaagt eiseres dat de kantonrechter ten onrechte het verzoek om pleidooi heeft afgewezen en dat het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor geschonden is (onder verwijzing naar art. 80 Ro). Deze klacht slaagt. De Hoge Raad stelt in r.o. 3.3.2 onder verwijzing naar vaste rechtspraak voorop:

“3.3.2 Volgens vaste rechtspraak hebben partijen in beginsel het recht hun standpunten bij pleidooi toe te lichten en mag een verzoek om de zaak te mogen bepleiten slechts in zeer uitzonderlijke gevallen worden afgewezen. Voor het laatste is noodzakelijk dat van de zijde van de wederpartij klemmende redenen worden aangevoerd tegen toewijzing van het verzoek of dat toewijzing van het verzoek strijdig zou zijn met de eisen van een goede procesorde. In elk van deze beide gevallen zal de rechter zijn redenen voor afwijzing van het verzoek uitdrukkelijk moeten vermelden en zijn beslissing daaromtrent deugdelijk moeten motiveren (vgl. onder meer HR 2 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7596, NJ 2011/575 en HR 27 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7254, NJ 2012/77).

Dan volgt het duidelijk oordeel in deze zaak:

3.3.3 De beslissing van de kantonrechter om het verzoek af te wijzen is in de eerste plaats gegrond op het oordeel dat een pleidooi “waarin de volle omvang van de zaak weer aan de orde kan komen” in deze zaak niet gerechtvaardigd is. Dit oordeel is zonder nadere motivering onbegrijpelijk. Ook de tweede grond, inhoudende dat toewijzing van het verzoek zou leiden tot onredelijke vertraging van de procedure, is zonder nadere motivering onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat de inleidende dagvaarding is betekend op 23 december 2015, terwijl het verzoek is afgewezen bij de rolbeslissing van 23 juni 2016.

De Hoge Raad oordeelt dat de kantonrechter het verzoek om pleidooi niet had mogen afwijzen op de in de rolbeslissing vermelde gronden. Er volgt vernietiging van de rolbeslissing en het vonnis van de rechtbank en terugverwijzing.

Share This