Selecteer een pagina

HR 18 juni 2021, ECLI:NL:HR: 2021:957 (Vereniging van Albert Heijn Franchisenemers c.s./Albert Heijn c.s.)

Deze procedure gaat over de financiële afrekening tussen Albert Heijn als franchisegever en het merendeel van haar franchisenemers over 2008 en de jaren daarna. In deze procedure speelt de uitleg van de (standaard) franchiseovereenkomst (“FO”) die tussen partijen is gesloten, een centrale rol.

De franchisenemers (en de vereniging waarin zij zijn verenigd) hebben een groot aantal vorderingen tegen Albert Heijn ingesteld. Deze vorderingen zien op de wijze waarop de franchiseovereenkomst moet worden uitgelegd, op verschillende soorten posten (kortingen, inkoopvoordelen) en kosten die wel of niet in de afrekening betrokken zouden moeten worden en op de mate waarin Albert Heijn gehouden is tot informatieverschaffing daarover. Kort gezegd stellen de franchisenemers dat zij onder de franchiseovereenkomst recht hebben op meer opbrengsten dan Albert Heijn hun toekent.

De rechtbank Amsterdam en het gerechtshof Amsterdam hebben nagenoeg alle vorderingen afgewezen op grond van een voor de franchisenemers ongunstige uitleg van de franchiseovereenkomst.

Gemeenschappelijke partijbedoeling zonder “verklaringen en gedragingen”

In cassatie hebben de franchisenemers onder meer geklaagd over de wijze waarop het hof de bedoeling van de partijen bij de franchiseovereenkomst heeft bepaald.

De franchisenemers hebben zich voor de uitleg van de franchiseovereenkomst beroepen op een gemeenschappelijke bedoeling van de contractspartijen. Voor de aanwezigheid van die bedoeling bij Albert Heijn hebben zij een beroep gedaan op onder meer de (in het geding gebrachte) verklaringen van twee voormalige hoge managers van Albert Heijn. Zij hebben ook aangeboden hen als getuigen te doen horen.

Het hof heeft echter geoordeeld dat de franchisenemers onvoldoende concreet hebben aangevoerd dat omtrent die bedoeling ten tijde van het aangaan van de franchiseovereenkomst van de zijde van Albert Heijn “mededelingen” aan de franchisenemers zijn gedaan of “gedragingen” zijn geweest met de door de voormalige managers bedoelde strekking, die door de franchisenemers in die zin zijn opgevat en mochten worden opgevat.

Naar aanleiding van de tegen dat oordeel gerichte klacht van de franchisenemers wijdt  Advocaat-Generaal Hartlief in zijn conclusie enkele interessante beschouwingen aan de rol van de gemeenschappelijke partijbedoeling bij de uitleg van een overeenkomst (3.2.5-3.2.8):

“(…) De gemeenschappelijke partijbedoeling is het vertrekpunt bij de uitleg van een overeenkomst en gaat, indien deze kan worden vastgesteld, boven een objectieve uitleg (het vaststellen van een redelijke uitleg op grond van andere, objectieve factoren). Nu is het voor een rechter natuurlijk lastig om vast te stellen wat de ‘interne’ bedoeling van partijen is geweest. De gemeenschappelijke partijbedoeling wordt daarom, indien in geschil, in de regel vastgesteld aan de hand van de uitwendige verklaringen en gedragingen van partijen. Als blijkt dat een gemeenschappelijke partijbedoeling ontbrak doordat de wil van partijen niet op hetzelfde gericht was, dan is alsnog mogelijk dat partijen aan een bepaalde (uitleg van een) overeenkomst gebonden zijn, namelijk als de ene partij er op grond van de verklaringen en gedragingen van de andere partij op mocht vertrouwen dat zij een overeenkomst van de door eerstgenoemde partij bedoelde strekking overeenkwamen (de wilsvertrouwensleer van art. 3:33 en 3:35 BW waarop ook de Haviltex-maatstaf is terug te voeren).

 De verklaringen en gedragingen over en weer spelen derhalve een grote rol bij de uitleg van overeenkomsten en het vaststellen van de gemeenschappelijke partijbedoeling. Dat wil echter niet zeggen dat er zonder overeenkomstige verklaringen en gedragingen geen gemeenschappelijke partijbedoeling kan zijn. Dat zou immers betekenen dat als partijen bij het sluiten van een overeenkomst aan een bepaalde bedoeling van die overeenkomst (bijvoorbeeld een bepaalde uitleg van een beding) verklaringen noch gedragingen wijden, bijvoorbeeld omdat die bedoeling voor hen zo vanzelfsprekend is dat zij zich daar niet verder om bekommeren, die bedoeling geen onderdeel van de overeenkomst zou worden terwijl zij dat beiden wel willen (en in het voorbeeld zelfs vanzelfsprekend vinden). Dat lijkt mij niet juist. Er kan dus mijns inziens ook sprake zijn van een gemeenschappelijke partijbedoeling zonder dat deze door partijen over en weer met verklaringen en/of gedragingen is geuit.

Het voorgaande is een grotendeels academische beschouwing zolang de persoon die (al dan niet namens een rechtspersoon) de overeenkomst is aangegaan dezelfde is als die in de gerechtelijke procedure de (door de andere contractspartij gestelde) gemeenschappelijke partijbedoeling betwist. De rechter kan immers, als gezegd, de ‘gedachten’ van partijen niet lezen en heeft dus aanknopingspunten nodig om de partijbedoelingen te achterhalen. Het komt dan vaak toch neer op de verklaringen en gedragingen van partijen. Ik zou menen dat daarbij niet alleen verklaringen en gedragingen jegens de wederpartij een rol kunnen spelen, maar dat ook verklaringen en gedragingen jegens derden – die hierover kunnen getuigen– een rol kunnen spelen. Het gaat hier immers nog steeds om de vraag of er een bepaalde (met die van de wederpartij overeenstemmende) bedoeling (wil) aanwezig was en niet om de vraag of de wederpartij op grond van aan haar gerichte verklaringen en gedragingen op die aanwezigheid mocht vertrouwen. Voor dit laatste is natuurlijk wel vereist dat de verklaringen of gedragingen aan de wederpartij zijn gericht, of althans voor haar kenbaar waren.

Het is mogelijk dat de persoon die in de gerechtelijke procedure de gemeenschappelijke partijbedoeling betwist, niet dezelfde is als degene die de overeenkomst is aangegaan. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen wanneer er meerdere personen betrokken waren, er een wisseling van vertegenwoordigers heeft plaatsgevonden, sprake is geweest van contractoverneming of cessie of van vertegenwoordiging. In dergelijke gevallen is denkbaar dat een dergelijke (gewezen) betrokken vertegenwoordiger in een gerechtelijke procedure verklaart dat een bepaalde partijbedoeling aanwezig was, terwijl de vertegenwoordigde partij zelf deze bedoeling juist betwist. In dergelijke gevallen kan – het komt dan aan op een waardering van de verklaringen en stellingen – het oordeel zijn dat er wel degelijk een gemeenschappelijke partijbedoeling was, ook al is deze ten tijde van het sluiten van de overeenkomst niet met verklaringen of gedragingen geuit.”

Dat laatste was in de onderhavige zaak aan de orde voor wat betreft (onder meer) de hiervoor genoemde twee voormalige hoge managers van Albert Heijn. Zij konden verklaren over de partijbedoeling van Albert Heijn ten tijde van de totstandkoming van de franchiseovereenkomst en hun verklaring stemde overeen met het standpunt van de franchisenemers over de gemeenschappelijke partijbedoeling.

De Hoge Raad oordeelt dan ook dat het hof bij de bepaling van de bedoeling van partijen een onjuiste maatstaf heeft toegepast (rov. 3.2.2):

“Voor het kunnen aannemen van een gemeenschappelijke partijbedoeling is niet vereist dat deze voor of ten tijde van het aangaan van de overeenkomst door middel van verklaringen of gedragingen aan de franchisenemers is overgebracht. Voldoende is dat komt vast te staan dat zowel de franchisenemers als AH/AHF [Albert Heijn] die bedoeling hadden.”

De Hoge Raad vindt in het verlengde hiervan ook dat het hof de franchisenemers in staat had moeten stellen die gemeenschappelijke partijbedoeling te bewijzen door het doen horen van getuigen.

Door de accountants bij de controle gehanteerde uitleg

De franchisenemers hebben ook geklaagd over de wijze waarop het hof een aantal in de franchiseovereenkomst gehanteerde centrale begrippen heeft uitgelegd, zoals de begrippen ‘belastprijs’, ‘onverdeelde marge’ en ‘Action Discount Resultaat’. Kern van die klachten is dat het hof bij de uitleg van de franchiseovereenkomst en de hiervoor genoemde begrippen een doorslaggevende rol heeft toegekend aan de wijze waarop de accountants van partijen de franchiseovereenkomst hebben toegepast bij de controle van de afrekening tussen partijen. De Hoge Raad acht ook die klachten gegrond (rov. 3.3.3):

“(…) Het hof heeft onvoldoende gemotiveerd waarom uit het enkele feit dat de accountants de uitleg van de FO in hun rapporten gaven op een voor partijen kenbare wijze en onder hun verantwoordelijkheid, volgt dat AHF [Albert Heijn] erop mocht vertrouwen dat de franchisenemers met de in die rapporten gehanteerde uitleg instemden. Daarbij is van belang dat art. 20 FO onderzoek naar en controle van de uitvoering van de FO regelt en de accountants niet de bevoegdheid geeft om de FO zelfstandig uit te leggen, te wijzigen of aan te vullen. Opmerking verdient in dit verband – zoals de onderdelen 3.2 en 3.3 terecht aanvoeren – dat tussen de vaststelling van het eerste [door de accountants bij het onderzoek en de controle gebruikte] normenkader begin 2007 en die van het laatste normenkader waarover uitdrukkelijk overleg heeft plaatsgevonden (in 2008), een relatief korte tijdsspanne van ongeveer anderhalf jaar heeft gelegen, en dat VAHFR c.s. [de franchisenemers] hebben gesteld en te bewijzen hebben aangeboden dat partijen de (voorgangers van de) FO vanaf begin jaren ’80 op andere wijze hebben uitgelegd en feitelijk ook anders hebben uitgevoerd dan het hof heeft aangenomen.”

De Hoge Raad vindt ook een groot deel van de overige klachten van de franchisenemers tegen de door het hof aan de franchiseovereenkomst gegeven uitleg terecht en laat diverse andere klachten buiten behandeling, zodat de daarin aan de orde gestelde punten na verwijzing aan de orde kunnen komen.

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het gerechtshof Amsterdam en verwijst de zaak naar het gerechtshof Den Haag, om de zaak verder te behandelen en te beslissen.

De franchisenemers zijn in feitelijke instanties bijgestaand door Katinka Verdurmen (Fort Advocaten) en in cassatie door de auteur.

Share This