Selecteer een pagina

HR 13 juli 2012, LJN BW4986

Ingevolge art. 6:94 lid 1 BW kan een bedongen boete door de rechter op verzoek van de schuldenaar worden gematigd indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Deze maatstaf noopt de rechter tot terughoudendheid. Er is geen grond om minder terughoudend te zijn in geval van koop en verkoop van een woning tussen particulieren. 

De kopers van een woning hebben in verband met financieringsproblemen de woning niet kunnen afnemen. De verkopers hebben hierop de koopovereenkomst ontbonden en aanspraak gemaakt op een contractuele boete van € 21.000, zijnde 10 procent van de overeengekomen koopsom. De kopers vroegen matiging van deze boete op de voet van art. 6:94 lid 1 BW, dat bepaalt dat de rechter tot matiging kan overgaan “indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist”.

Het hof weigerde de gevorderde matiging. Het hof overwoog dat de contractuele boete niet alleen schadefixatie ten doel heeft, maar ook beoogt partijen te prikkelen tot nakoming. In dat licht achtte het hof de boete niet buitensporig, ook niet indien de door de verkopers geleden schade, zoals de kopers beweerden, hoogstens € 2.691 bedroeg. Het hof achtte van belang dat het boetebeding deel uitmaakte van de standaard NVM-akte, die in overleg met consumentenorganisaties is opgesteld en op grote schaal wordt toegepast, en dat de kopers in casu geen gebruik hadden gemaakt van het daarin opgenomen financieringsvoorbehoud.

In cassatie klagen de kopers dat het hof meer aandacht had moeten besteden aan de particuliere hoedanigheid van de betrokken partijen. Meer in het bijzonder bepleiten zij een aanvulling op (althans verfijning van) de door de Hoge Raad in het arrest Intrahof/Bart Smit geformuleerde maatstaf (HR 27 april 2007, LJN AZ6638). In dat arrest overwoog de Hoge Raad, onder verwijzing naar art. 6:94 lid 1 BW, dat de rechter pas tot matiging mag overgaan indien “de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt”. Volgens het cassatiemiddel past deze strenge maatstaf niet goed bij situaties als de onderhavige, aangezien het onwenselijk zou zijn dat particuliere woningeigenaren door toepassing van een boetebeding “geld verdienen ten koste van andere particulieren”.

De Hoge Raad ziet voor een dergelijke aanvulling c.q. verfijning ten gunste van de particuliere huizenkoper geen grond. Wel erkent hij dat de hoedanigheid van partijen een relevant gezichtspunt kan vormen voor de matiging van een contractuele boete:

“Ingevolge art. 6:94 lid 1 BW kan een bedongen boete door de rechter op verzoek van de schuldenaar worden gematigd indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Zoals ook het hof heeft onderkend, noopt deze maatstaf de rechter tot terughoudendheid. In genoemd arrest van 27 april 2007 is dit aldus verwoord dat de rechter pas van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt, waarbij niet alleen zal moeten worden gelet op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen. De omstandigheden van het geval zijn uiteindelijk beslissend, en niets verhindert de rechter in dat verband gewicht toe te kennen aan de hoedanigheid van partijen. Van de door het middel gesignaleerde onvolledigheid is dan ook geen sprake. Voor zover het middel een verfijning verdedigt in die zin dat de rechter in een geval als het onderhavige – koop en verkoop van een woning tussen particulieren – minder terughoudend behoeft te zijn bij de uitoefening van zijn bevoegdheid tot matiging, is het eveneens tevergeefs voorgesteld. Voor een zodanige, ongewenste, nuancering bestaat geen grond.”

De Hoge Raad bevestigt dus de in het arrest Intrahof/Bart Smit geformuleerde, terughoudende maatstaf voor matiging van contractuele boetes. Hij benadrukt het belang van de omstandigheden van het geval en verenigt zich in dit verband met het overwegend feitelijke oordeel van het hof. Advocaat-Generaal Wissink meende daarentegen dat in casu een “gedeeltelijke matiging van het deel van het boetebedrag dat uitstijgt boven het bedrag van de werkelijke schade” in de rede lag en concludeerde op die grond tot vernietiging van het bestreden arrest (zie zijn conclusie, sub 3.14 en 3.36).

Share This