HR 19 april 2013, LJN BY3123 (Alheembouw/HDI Gerling c.s.)

De vraag of, en zo ja in welke omvang, in een verzekeringspolis mede dekking wordt verleend aan derden (eventueel na aanvaarding van een daartoe strekkend derdenbeding), dient te worden beantwoord aan de hand van hetgeen de verzekeraar en de verzekeringnemer dienaangaande zijn overeengekomen. Bij een CAR-verzekering kan de onderaannemer (als derde) jegens de verzekeraar bescherming ontlenen aan art. 3:35 BW indien hij op grond van de bewoordingen van de polis en/of (andere) door de verzekeraar gedane mededelingen of gewekte verwachtingen, erop heeft vertrouwd, en erop heeft mogen vertrouwen, dat hem dekking zal worden verleend.

Achtergrond

In deze zaak gaat het over de vraag op welke wijze een verzekeringsovereenkomst, waarin een derdenbeding is opgenomen, moet worden uitgelegd in de relatie van de verzekeraar tot de derde.

Alheembouw heeft voor de bouw van een achtbaan grond- en funderingswerkzaamheden verricht. Zij voerde deze werkzaamheden uit als onderaannemer van Vekoma Manufacturing B.V. (hierna: Vekoma). Vekoma had in het kader van haar bedrijfsvoering bij HDI-Gerling een doorlopende Construction All Risks-verzekering (CAR-verzekering) gesloten. Op deze verzekering hebben de verzekeraars ieder voor een deel ingetekend. Uit de formulering van de op de CAR-verzekering toepasselijke Algemene Verzekeringsvoorwaarden volgt dat Alheembouw, als onderaannemer, is aan te merken als verzekerde onder de CAR-verzekering.

Bij de door Alheembouw uitgevoerde grond- en funderingswerkzaamheden is schade opgetreden. Alheembouw heeft de verzekeraars tot vergoeding van die schade aangesproken. Daarbij heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de schade wordt gedekt onder de door Vekoma mede ten behoeve van haar afgesloten CAR-verzekering. De verzekeraars hebben aangevoerd dat de schade niet onder de dekking van de verzekering valt, omdat zij met Vekoma een meer beperkte dekking zijn overeengekomen.

Procesverloop

De rechtbank oordeelt dat de verzekeraars hebben bewezen dat zij bij het sluiten van de CAR-verzekering met Vekoma zijn overeengekomen dat turn key-projecten (zoals het onderhavige ‘achtbaanproject’) niet onder de dekking daarvan vallen. De rechtbank acht Alheembouw gebonden aan de reikwijdte van de dekking zoals tussen de verzekeraars en Vekoma (als verzekeringnemer) overeengekomen.

Het Hof verwerpt het tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep. Het Hof stelt voorop dat de verzekeringsovereenkomst moet worden uitgelegd aan de hand van de Haviltexmaatstaf. Een redelijke uitleg van het van de overeenkomst deel uitmakende derdenbeding, brengt volgens het Hof mee dat niet alleen Vekoma en de verzekeraars, maar ook degenen ten behoeve van wie het derdenbeding in de polis is opgenomen, dit beding aldus mogen en moeten begrijpen dat hiermee (slechts) rechten worden toegekend aan de in de polis genoemde derden die werkzaam zijn op een project waarvoor Vekoma de verzekering heeft afgesloten. Het hof overweegt vervolgens dat Alheembouw geen derdenbeding kon aanvaarden, omdat het werk een turn key-project betrof waarvoor de CAR-verzekering niet gold. Alheembouw is naar het oordeel van het Hof dus geen partij is geworden bij de verzekeringsovereenkomst.

In een overweging ten overvloede gaat het Hof nog in op de vraag aan de hand van welke maatstaf de polisvoorwaarden moeten worden uitgelegd. Het Hof overweegt dat indien Alheembouw wel partij zou zijn geworden bij de verzekeringsovereenkomst, deze moet worden uitgelegd aan de hand van de Haviltexmaatstaf. Voor een uitleg van de polisvoorwaarden aan de hand van uitsluitend objectieve criteria zijn volgens het Hof geen gronden aanwezig.

Oordeel Hoge Raad

In cassatie klaagt Alheembouw, kort gezegd, dat zij als derde op het verkeerde been is gezet door de polis en de polisvoorwaarden, waaruit de bedoeling van de contracterende partijen om turn-key projecten niet onder de dekking te doen vallen, niet kenbaar was. Tegen deze achtergrond betoogt Alheembouw onder meer dat het hof had moeten responderen op haar beroep op de derdenbeschermingsbepaling van art. 3:36 BW.

Bij de beoordeling van het cassatieberoep van Alheembouw stelt de Hoge Raad in rov. 3.5 voorop dat de vraag of, en zo ja in welke omvang, in een verzekeringspolis mede dekking wordt verleend aan derden (eventueel na aanvaarding van een daartoe strekkend derdenbeding), dient te worden beantwoord aan de hand van hetgeen de verzekeraar en de verzekeringnemer dienaangaande zijn overeengekomen. De Hoge Raad overweegt vervolgens dat deze maatstaf ook geldt voor de uitleg van een beding in een CAR-verzekering.

“Dit uitgangspunt geldt ook bij de uitleg van een beding in een CAR-verzekering waarin dekking wordt verleend aan onderaannemers die door de aannemer – tevens wederpartij van de verzekeraar – bij de uitvoering van een verzekerd werk worden ingeschakeld. De onderaannemer kan jegens de verzekeraar bescherming ontlenen aan art. 3:35 BW indien hij op grond van de bewoordingen van de polis, eventueel in samenhang met (andere) door de verzekeraar gedane mededelingen of gewekte verwachtingen, erop heeft vertrouwd, en erop heeft mogen vertrouwen, dat hem dekking zal worden verleend.”

In rov. 3.6 overweegt de Hoge Raad dat in cassatie vaststaat dat Alheembouw pas van de polisvoorwaarden heeft kennisgenomen nadat de verzekeraars dekking onder de CAR-verzekering, met een beroep op de beperkte dekkingsomvang, hadden afgewezen. Volgens de Hoge Raad heeft Alheembouw dus niet aangevoerd dat zij is afgegaan op de bewoordingen waarin de dekkingsomvang van de polis was omschreven. Alheembouw heeft in feitelijke instanties evenmin iets gesteld over (andere) door de verzekeraars gedane mededelingen of gewekte verwachtingen.

Ook het beroep van Alheembouw op art. 3:36 BW kan niet tot cassatie leiden, zo overweegt de Hoge Raad ten slotte, nu niet is aangevoerd dat Alheembouw in vertrouwen op een verklaring of gedraging van de verzekeraars enige handeling heeft verricht (rov. 3.7).

De Hoge Raad verwerpt het beroep, conform de conclusie van A-G Vlas.

Share This