HR 1 februari 2013, LJN BY3129

Ook bij een vaststellingsovereenkomst is een geslaagd beroep op dwaling mogelijk, in het bijzonder als sprake is van onjuiste inlichtingen of schending van een spreekplicht van de wederpartij. Aan een succesvol beroep op dwaling staat niet in de weg dat de onjuiste inlichting niet rechtstreeks aan de dwalende partij is verstrekt of niet specifiek is verstrekt in verband met de overeenkomst ten aanzien waarvan het beroep op dwaling is gedaan.

Achtergrond

De achtergrond van deze procedure is gelegen in een samenwerking die partijen vanaf 1995 hebben gehad op het gebied van de exploitatie van onroerend goed. Vanaf het jaar 2000 kreeg die samenwerking gestalte in de vorm van een groot aantal vennootschappen, de Crescendogroep.

In 2001 hebben partijen besloten hun samenwerking te beëindigen. In dat kader zijn zij een voorovereenkomst aangegaan, waarin onder meer was neergelegd dat eiser in cassatie 1 (hierna: X) aan verweerder in cassatie 1 (hierna: Y) een optie verleende om al zijn aandelen in de Crescendogroep over te nemen. De vaststelling van de prijs van de aandelen zou geschieden door twee accountants (van wie iedere partij er één mocht aanwijzen); zouden deze accountants niet tot overeenstemming komen dan zouden zij samen een derde onafhankelijke accountant aanwijzen. Dit laatste is gebeurd: de derde accountant is daarbij als bindend adviseur benoemd, met de opdracht om de prijs van de over te nemen aandelen vast te stellen.

De bindend adviseur heeft twee concept-rapporten opgesteld, waarin de waarde van het gezamenlijke belang van partijen in de Crescendogroep financieel werd gewaardeerd. Tot een definitief rapport van de bindend adviseur is het echter niet gekomen.

Uiteindelijk hebben partijen, ter beëindiging van hun geschillen over de afwikkeling van hun samenwerking, in 2003 een vaststellingsovereenkomst gesloten. In de vaststellingsovereenkomst is ook bepaald dat partijen de eerder gesloten voorovereenkomst vernietigen, en dat de opdracht aan de benoemde bindend adviseur wordt beëindigd.

Rechtbank en hof

Nadat de vaststellingsovereenkomst was uitgevoerd is X de onderhavige procedure gestart. Hij vordert daarin vernietiging van de vaststellingsovereenkomst en betaling van (aanvullende) afkoopsommen door Y. Ter onderbouwing van deze vordering heeft X – kort samengevat – aangevoerd dat hij bij het aangaan van de vaststellingsovereenkomst is uitgegaan van onjuiste informatie, doordat Y onder meer de bindend adviseur heeft misleid inzake de waarde van diverse objecten die de bindend adviseur in zijn conceptrapportages heeft besproken.

De rechtbank wees de vordering van X voor een (beperkt) deel toe, maar het hof wees haar af. Redengevend voor dit oordeel van het hof was zijn overweging dat uit de vaststellingsovereenkomst blijkt dat partijen de eerdere afspraak (de voorovereenkomst) dat derden de waarde van hun goederen zouden vaststellen, hebben beëindigd. Partijen hebben met de vaststellingsovereenkomst ook niet willen voortbouwen op de voorovereenkomst. Voor zover X heeft aangevoerd dat Y de bindend adviseur verkeerd heeft voorgelicht is dat – aldus nog steeds het hof – voor zijn beroep op dwaling niet relevant, nu de vaststellingsovereenkomst niet berustte op de bemoeienissen van de bindend adviseur of op zijn waarderingen van de verschillende vermogensbestanddelen.

Hoge Raad

In cassatie bestrijdt X dit oordeel van het hof onder meer met de klacht dat de onjuiste informatie die Y volgens X aan de bindend adviseur heeft verstrekt, daarmee tevens aan X bekend is geworden, en door X bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst in zijn afweging is betrokken. Dat die vaststellingsovereenkomst zelf niet berustte op de waarderingen van de bindend adviseur, kan daaraan niet afdoen.

De Hoge Raad acht deze klacht gegrond:

“Het onderdeel slaagt. De omstandigheid dat partijen met betrekking tot een bepaalde kwestie in onzekerheid verkeren en te dien aanzien een vaststellingsovereenkomst sluiten, sluit een geslaagd beroep op dwaling ten aanzien van die overeenkomst niet uit. Dit geldt in het bijzonder indien sprake is van betrokkenheid van de wederpartij bij de dwaling op een wijze als genoemd in art. 6:228 lid 1, onder a of b, BW. Indien, zoals in het onderhavige geval, wordt gesteld dat de dwaling is te wijten aan een inlichting van de wederpartij, staat voorts aan een succesvol beroep op dwaling niet in de weg dat die inlichting niet rechtstreeks aan de dwalende partij is verstrekt of niet specifiek is verstrekt in verband met de overeenkomst ten aanzien waarvan het beroep op dwaling is gedaan. De omstandigheid dat de vaststellingsovereenkomst niet berustte op de bemoeienissen of waarderingen van [de bindend adviseur], sluit derhalve niet uit dat [X] die overeenkomst kan hebben gesloten onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken die gebaseerd was op een inlichting van [Y] aan [de bindend adviseur] waarvan [X] door de rapportage van [de bindend adviseur] heeft kennisgenomen. Het hof heeft dit miskend.”

Daarnaast honoreert de Hoge Raad ook de klacht dat het hof met zijn oordeel buiten de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep is getreden. De rechtbank had namelijk in haar vonnis overwogen dat aan het beroep van X op dwaling niet in de weg staat dat de gestelde onjuiste mededelingen zijn gedaan aan de bindend adviseur (en niet rechtstreeks aan X zelf), en tegen dit aspect van de overwegingen van de rechtbank had Y in hoger beroep geen grieven gericht. Een en ander brengt mee dat de Hoge Raad het bestreden arrest van het hof vernietigt, en de zaak verwijst naar een ander hof ter verdere afdoening.

Eisers in cassatie zijn in deze zaak bijgestaan door Martijn Scheltema en de auteur, en in feitelijke instanties door Jan Henk van der Velden.

Share This