Https://cassatieblog.nl maakt gebruik van cookies voor webanalyse en social media sharing. Google Analytics analyseert met behulp van cookies hoe de website wordt gebruikt. Daarnaast toont Https://cassatieblog.nl knoppen om informatie te delen op sociale media. Deze knoppen worden enkel weergegeven als u toestemming geeft cookies te plaatsen op uw computer. Meer informatie vindt u in ons privacy statement.
weigeren accepteren

Hoge Raad over mededelingsplicht in periode tussen invullen vragenlijst en acceptatie verzekering

CB 2017-172 Geplaatst op 27 september 2017 door

HR 22 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2447

Als de verzekeraar uitdrukkelijk erop heeft gewezen dat wijzigingen in de periode tussen de invulling van het vragenformulier en de acceptatie van de verzekering dienen te worden gemeld, dienen bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schending van de mededelingsplicht (art. 7:928 BW) geen zwaardere eisen te worden gesteld aan het kenbaarheidsvereiste dan bij het invullen van het vragenformulier.

Achtergrond van de zaak

Eiseres in deze zaak heeft met ingang van 1 augustus 2011 een levens- of overlijdensrisicoverzekering afgesloten bij verzekeraar Reaal. Zelf is zij in de verzekeringsovereenkomst aangemerkt als verzekeringnemer en eerste begunstigde. Haar echtgenoot is aangemerkt als de verzekerde. Op grond van de verzekering wordt aan eiseres een bedrag van € 150.000,- uitgekeerd indien haar echtgenoot (de verzekerde) vóór 1 september 2025 zal komen te overlijden. In verband met het afsluiten van de verzekering heeft de echtgenoot van eiseres op 1 augustus 2011 een zogenoemde gezondheidsverklaring (hierna: het vragenformulier) ingevuld. Op 18 september 2011 heeft Reaal het risico voor de verzekering geaccepteerd, waarna de verzekering met terugwerkende kracht per 1 augustus 2011 is ingegaan.

In de periode na verzending van het vragenformulier maar nog vóórdat Reaal het risico voor de verzekering had geaccepteerd, heeft de echtgenoot van eiseres zijn huisarts geraadpleegd in verband met slikklachten. Na doorverwijzing door zijn huisarts, is hij op 13 september 2011 door een specialist onderzocht. Op 29 september 2011 is bij hem de diagnose slokdarmkanker gesteld. Ruim een half jaar daarna, op 17 mei 2012 is hij uiteindelijk overleden. Nadat eiseres Reaal had verzocht om op grond van de verzekering uitkering te doen, heeft Reaal uitkering geweigerd. Reaal stelde zich op het standpunt dat sprake was van schending van de precontractuele mededelingsplicht van art. 7:928 BW, nu zij niet op de hoogte was gesteld van de medische situatie van de verzekerde op dat moment.

In de onderhavige procedure vordert eiseres veroordeling van Reaal tot betaling van het verzekerde bedrag van € 150.000,-. De rechtbank wees deze vordering van eiseres toe, maar in hoger beroep werd het vonnis van de rechtbank vernietigd en wees het hof de vordering van eiseres alsnog af. Het hof heeft daartoe (kort gezegd) overwogen dat, mede gelet op de door Reaal in het vragenformulier gestelde vragen en de daarbij gegeven toelichting, de echtgenoot van eiseres (de verzekerde) redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat het bezoek aan de huisarts en de verwijzing naar de specialist voor Reaal relevant waren en dat hij daarvan dus melding had moeten maken.

Cassatie

Eiseres komt van dit oordeel van het hof in cassatie en klaagt (onder meer) dat het hof heeft miskend dat in de periode tussen het invullen van het vragenformulier en de acceptatie van het risico voor de verzekering door de verzekeraar zwaardere eisen aan het kenbaarheidsvereiste moeten worden gesteld dan bij het invullen van dat formulier. Geheel in lijn met de conclusie van A-G Hartlief, gaat de Hoge Raad hier niet in mee. De Hoge Raad stelt voorop art. 7:928 BW de omvang regelt van de precontractuele mededelingsplicht van de verzekeringnemer en, bij een persoonsverzekering, van degene op wiens risico de verzekering betrekking heeft (de aspirant-verzekerde). Vervolgens overweegt de Hoge Raad dat de mededelingsplicht blijkens het kenbaarheidsvereiste van art. 7:928 BW enkel geldt voor die feiten die de verzekeringnemer of aspirant-verzekerde “kent of behoort te kennen”, en waarvan hij “weet of behoort te begrijpen” dat zij relevant (kunnen) zijn voor de beslissing van de verzekeraar of en, zo ja, onder welke voorwaarden hij de verzekering zal willen afsluiten. Vervolgens overweegt de Hoge Raad:

“Als de verzekeraar in het vragenformulier uitdrukkelijk erop heeft gewezen dat in de periode tussen het invullen van het vragenformulier en het accepteren van de verzekering mededeling dient te worden gedaan van wijziging in de relevante feiten of omstandigheden waarnaar in het formulier wordt gevraagd, dienen, bij de beantwoording van de vraag of de mededelingsplicht in die periode is nagekomen, geen zwaardere eisen te worden gesteld aan het kenbaarheidsvereiste ten aanzien van die feiten en omstandigheden dan bij het invullen van dat formulier. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de verzekeringnemer of de aspirant-verzekerde moet begrijpen dat feiten waarnaar gevraagd wordt voor de verzekeraar van belang (kunnen) zijn bij zijn beslissing over het aangaan van de verzekering. Beslissend is dan ook hoe de verzekeringnemer of de aspirant-verzekerde de aanwijzing om mededeling te doen van gewijzigde feiten of omstandigheden onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs in de context van het gehele vragenformulier heeft behoren op te vatten (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.4 en de aldaar vermelde rechtspraak).”

Met dit oordeel bevestigt de Hoge Raad de heersende opvatting over dit thema in de literatuur, die erop neerkomt dat slechts zwaardere eisen aan het kenbaarheidsvereiste van art. 7:928 BW kunnen worden gesteld indien in het vragenformulier van de verzekeraar níet is aangegeven dat wijzigingen in de periode na het invullen ervan en voor acceptatie van het risico door de verzekeraar dienen te worden gemeld.

In de onderhavige kwestie had het hof vastgesteld dat Reaal in het vragenformulier expliciet erop had gewezen dat wijzigingen in de gezondheidstoestand (die in het formulier ook nog nader waren omschreven) onmiddellijk aan Reaal moesten worden gemeld. Tegen die achtergrond is het hof er naar het oordeel van de Hoge Raad terecht vanuit gegaan dat in de periode na het invullen van het vragenformulier maar vóór acceptatie van het risico door Reaal, geen zwaardere eisen aan het kenbaarheidsvereiste moesten worden gesteld. De klacht van eiseres faalt dan ook.

Aangezien ook de overige klachten niet tot cassatie kunnen leiden, wordt het cassatieberoep voor het overige ingevolge art. 81 RO zonder nadere motivering verworpen.

email print