Selecteer een pagina

HR 4 februari 2022 ECLI:NL:HR:2022:123

Indien de betrokkene een voldoende toegelicht bezwaar maakt tegen de voorgestelde verplichte zorg en de situaties als bedoeld in art. 2:1 lid 6, aanhef en onder b, Wvggz (onder meer acuut levensgevaar) zich niet voordoen, dient de rechter te beoordelen of de betrokkene wilsbekwaam is.

Betrokkene had bezwaar gemaakt tegen verplichte medicatie op grond van een rechterlijke machtiging. De rechtbank had, onder verwijzing naar onder meer art. 8:9 Wvggz, geoordeeld dat het de taak van de zorgverantwoordelijke is om te oordelen over het zogenoemde wilsbekwaam verzet, en wel op het moment dat de verplichte zorg door de behandelaren wordt uitgevoerd.

Dit oordeel acht de Hoge Raad niet juist. Onder verwijzing naar de tekst van art. 2:1 lid 6 Wvggz en de toelichting op deze bepaling oordeelt de Hoge Raad dat art. 2:1 lid 6 Wvggz ook van toepassing is in de fase van de afgifte van een zorgmachtiging. Hij voegt daaraan toe:

Het voorgaande betekent dat indien de betrokkene tijdens de procedure tot het verlenen van een zorgmachtiging een voldoende toegelicht bezwaar maakt tegen de voorgestelde verplichte zorg en de situaties als bedoeld in art. 2:1 lid 6, aanhef en onder b, Wvggz zich niet voordoen, de rechter dient te beoordelen of de betrokkene wilsbekwaam is. Hiertoe dient, indien daarover in de medische verklaring niet is gerapporteerd, een verklaring te worden gevraagd van een onafhankelijk arts of klinisch psycholoog waaruit blijkt of de betrokkene tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat is. Zo nodig dient de procedure daartoe te worden aangehouden.

In het geval dat uit de medische verklaring of uit de hiervoor bedoelde verklaring van een onafhankelijk arts of klinisch psycholoog blijkt dat de betrokkene tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat is, dient diens bezwaar tegen de verplichte zorg te worden gehonoreerd.

 De rechtbank had daarom volgens de Hoge Raad in deze zaak moeten vaststellen of zich situaties voordeden als bedoeld in art. 2:1 lid 6, aanhef en onder b, Wvggz en, indien dat niet het geval was, moeten beoordelen of sprake was van wilsbekwaam verzet.

Volgt vernietiging en verwijzing

De A-G gaat in zijn conclusie voor deze zaak uitvoerig in op de betekenis van art. 2:1 Wvggz. Hij concludeerde, zoals later de Hoge Raad, dat het middel als zodanig gegrond was, maar meende ook dat uit de stukken en de vaststellingen van de rechtbank onmiskenbaar bleek dat betrokkene niet wilsbekwaam is terzake van de bij wege van verlichte zorg op te leggen (en door de rechtbank opgelegde) zorg, zodat zijn inziens het middel niet tot cassatie kon leiden omdat de beslissing van de rechtbank hierdoor zelfstandig kon worden gedragen.

Share This