Selecteer een pagina

HR 26 oktober 2012, LJN BX0357 (Reaal/Athlon)

Bij de berekening van zaakschade is uitgangspunt dat het nadeel dat geleden wordt gelijk is aan de waardevermindering van de zaak. In geval van schade aan auto’s kan een snelle en uniforme afwikkeling worden bevorderd door het hanteren van een forfaitair systeem, zoals het Audatex-systeem. Dat dit systeem geen rekening houdt met de omstandigheden van het concrete geval, zoals korting op uurtarieven, is in overeenstemming met het uitgangspunt dat zaakschade abstract moet worden begroot.

De casus

Het gaat in deze zaak om de berekening van schade die een WAM-verzekerde van Reaal heeft veroorzaakt door bij een aanrijding een aan Athlon toebehorende leaseauto te beschadigen. Athlon heeft van Reaal vergoeding van de schade geëist en heeft de schade berekend met behulp van het Audatex systeem. In dit systeem worden op het desbetreffende type auto afgestemde standaardprijzen voor de te vervangen onderdelen en standaardtijdsduur voor de te verrichten werkzaamheden gehanteerd met daaraan gekoppeld vaste uurtarieven. Het autoherstelbedrijf CARe, dat de herstelwerkzaamheden uitvoerde, heeft aan Athlon een korting verleend van 15% op het vastgestelde uurtarief. Deze korting houdt verband met een tussen CARe en Athlon gesloten overeenkomst.

Rechtbank en hof

In deze proefprocedure vordert Reaal een verklaring voor recht dat zij aan Athlon het bedrag verschuldigd is dat overeenkomt met het daadwerkelijk aan Athlon in rekening gebrachte tarief, evenals een verbod voor Athlon om in de toekomst een hogere schadevergoeding te vorderen dan het bedrag dat zij aan het autoschadeherstelbedrijf is verschuldigd. Athlon meent dat in dit geval een abstracte schadeberekening uitgangspunt dient te zijn, omdat het gaat om vergoeding van de waardevermindering van de auto als gevolg van de beschadiging.

De rechtbank heeft de vordering van Reaal afgewezen. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd, nu de herstelkosten worden vastgesteld naar objectieve maatstaven en het bij deze methode van schadevaststelling niet past om voor één van die variabelen – het uurtarief – uit te gaan van de daadwerkelijke herstelkosten. Reaal heeft naar het oordeel van het hof onvoldoende gesteld om te kunnen oordelen dat een objectief tarief kan worden vastgesteld voor marktpartijen die in staat zijn om herstel tegen een lager uurtarief te doen plaatsvinden.

Cassatie

In cassatie stelt de Hoge Raad voorop dat de rechter ingevolge art. 6:97 BW de schade dient te begroten op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. In gevallen van zaaksbeschadiging, zoals in casu, is uitgangspunt dat de schade die de eigenaar van de zaak lijdt gelijk is aan de waardevermindering van de zaak. Onder verwijzing naar HR 7 mei 2004, LJN AO2786, NJ 2005/76 overweegt de Hoge Raad dat het geldbedrag waarin deze waardevermindering kan worden uitgedrukt in het algemeen gelijk is aan de – naar objectieve maatstaven berekende – kosten die met het herstel zijn gemoeid. Hij vervolgt:

“3.6.1 (…) De aard van zodanige schade rechtvaardigt dat de rechter bij het begroten daarvan in beginsel abstraheert van omstandigheden die de bijzondere situatie van de benadeelde eigenaar betreffen. Met het oog op de hanteerbaarheid van de schadeberekening bij zaaksbeschadiging dient terughoudendheid te worden betracht met het aanvaarden van uitzonderingen op het voormelde uitgangspunt.”

Nu schade aan auto’s veelvuldig voorkomt, vergt de afwikkeling van dergelijke schade bij uitstek een snelle afwikkeling naar uniforme maatstaven, aldus de Hoge Raad. Dit kan worden bevorderd door het hanteren van een forfaitair systeem, zoals in dit geval het Audatex-systeem. Dat dit systeem geen rekening houdt met de omstandigheden van het concrete geval, zoals een korting op uurtarieven, is in overeenstemming met het uitgangspunt dat de schade die de eigenaar van de zaak lijdt gelijk is aan de waardevermindering van de zaak (rov. 3.6.2).

Het volgen van het standpunt van Reaal zou volgens de Hoge Raad bij zaaksbeschadiging van auto’s een onzeker element in de schadeberekening brengen, hetgeen afbreuk zou doen aan de snelle, eenvoudige en uniforme afwikkeling die juist bij dit soort zaakschades wenselijk is. Bovendien zou het volgen van dit standpunt leiden tot problemen van afgrenzing met andere soortgelijke gevallen. Het standpunt van Reaal moet daarom van de hand te worden gewezen. De Hoge Raad geeft wel een vingerwijzing aan de betrokken marktpartijen, om binnen de gehanteerde forfaitaire berekeningsstelsels eventueel aparte categorieën op te nemen (rov. 3.7). De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van Reaal.

Share This