Https://cassatieblog.nl maakt gebruik van cookies voor webanalyse en social media sharing. Google Analytics analyseert met behulp van cookies hoe de website wordt gebruikt. Daarnaast toont Https://cassatieblog.nl knoppen om informatie te delen op sociale media. Deze knoppen worden enkel weergegeven als u toestemming geeft cookies te plaatsen op uw computer. Meer informatie vindt u in onze Privacyverklaring.
weigeren accepteren

Beginsel van collectieve aansprakelijkheid geldt niet bij externe bestuurdersaansprakelijkheid

CB 2018-71 Geplaatst op 19 april 2018 door

HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:470 (Eisers / TMF c.s.)

Het beginsel van collectieve aansprakelijkheid en de invloed van taakverdelingen in dat verband, zoals toegepast in het kader van interne bestuurdersaansprakelijkheid ex art. 2:9 BW, gelden niet bij externe bestuurdersaansprakelijkheid ex art. 6:162 BW. Voor aansprakelijkheid van een bestuurder jegens derden geldt het vereiste dat die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Daarmee verdraagt zich niet dat in het geval sprake is van schending door een vennootschap van wettelijke voorschriften ter bescherming van het beleggend publiek, de aansprakelijkheid van een bestuurder op grond van art. 6:162 BW wordt aangenomen zonder dat sprake is van een persoonlijk ernstig verwijt, of dat die aansprakelijkheid wordt aangenomen op grond van een vermoeden van een persoonlijk ernstig verwijt. 

Feiten en procesverloop

Het gaat in deze zaak over een vastgoedproject (hierna: het project) in het Caraïbisch gebied waarin eisers tot cassatie (hierna: eisers) hadden geïnvesteerd, maar dat niet van de grond is gekomen. Betrokkene 2 was in 1997 de initiatiefnemer van dit project. Ten behoeve van dit project zijn vennootschapen opgericht waarover betrokkene 2 als (indirect) aandeelhouder de zeggenschap had. TMF Management (BVI) Ltd. (hierna: TMF Management), verweerster in cassatie, was, al dan niet samen met betrokkende 2, (niet-handelend) bestuurder van een deel van de hiervoor bedoelde vennootschappen. Derden konden op uiteenlopende wijze aan het project deelnemen door daarin te investeren als belegger. Eisers hebben op enige moment tussen 1997 en november 2002 in het project geïnvesteerd door aandelen in een of meer vennootschappen te kopen. Het project is uiteindelijk niet doorgegaan, waardoor eisers schade hebben geleden door het waardeloos worden van de door hen gekochte aandelen.

Betrokkene 2 en enkele van de ten behoeve van het project opgerichte vennootschappen zijn in 2008 door het Hof Amsterdam hoofdelijk veroordeeld om de door eisers geleden schade te vergoeden. Genoemd hof wees de vorderingen af voor zover zij waren ingesteld tegen TMF Management, TMF Nederland B.V. (hierna: TMF Nederland), verweersters in cassatie, en nog een derde TMF-entiteit die bij genoemd project betrokken was. Bij arrest van 17 december 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BO1979) heeft de Hoge Raad het arrest van het Amsterdamse hof vernietigd. Na verwijzing heeft het Hof ’s-Hertogenbosch de vorderingen tegen de TMF-entiteiten (opnieuw) afgewezen. Tegen dit arrest richt zich het cassatieberoep.

Collectieve aansprakelijkheid en externe bestuurdersaansprakelijkheid ex art. 6:162 BW

Eisers betogen allereerst dat het beginsel van collectieve aansprakelijkheid en de invloed van taakverdelingen in dat verband, zoals toegepast in het kader van interne bestuurdersaansprakelijkheid ex art. 2:9 BW, eveneens moeten worden toegepast op externe bestuurdersaansprakelijkheid ex art. 6:162 BW. Daarmee bepleit het middel, aldus A-G Drijber, dat de eis dat een bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, wordt losgelaten althans sterk wordt afgezwakt. In de literatuur woedt al geruime tijd een debat over de wenselijkheid van de ernstig-verwijt-maatstaf.

De Hoge Raad houdt in dit arrest echter vast aan de eis dat een bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. De Hoge Raad stelt allereerst vast dat het hof bij de beoordeling van de aansprakelijkheid van de TMF Management terecht tot uitgangspunt heeft genomen de maatstaf uit HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 (Ontvanger/Roelofsen), die nadien is bevestigd in HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2628, CB 2014-139 (Hezemans Air) en HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627, CB 2014-141 (RCI). De Hoge Raad herhaalt deze maatstaf:

“3.3.2 (…) Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Aldus gelden voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap hogere eisen dan in het algemeen het geval is.

(…)

Het voorgaande geldt onverkort als een trustmaatschappij als bestuurder optreedt (HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP8686, NJ 2011/477).

3.3.3 Uit het persoonlijke karakter van het ernstige verwijt dat de bestuurder moet kunnen worden gemaakt, volgt dat voor het aannemen van aansprakelijkheid, behoudens bij toepassing van art. 2:11 BW (HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:275, NJ 2017/215), voor iedere bestuurder afzonderlijk moet worden vastgesteld dat hij in zijn hoedanigheid onrechtmatig heeft gehandeld en dat dit handelen (waaronder is begrepen nalaten) aan hem kan worden toegerekend.”

Vervolgens overweegt de Hoge Raad dat hieruit volgt dat bij de toepassing van art. 6:162 BW, de door eisers voorgestane rechtsopvatting niet kan worden aanvaard. Het beginsel van collectieve aansprakelijkheid en de invloed van taakverdelingen in dat verband, zoals toegepast in het kader van interne bestuurdersaansprakelijkheid ex art. 2:9 BW, gelden dus niet bij externe bestuurdersaansprakelijkheid ex art. 6:162 BW.

Schending wettelijke voorschriften

Eisers hebben verder nog gesteld dat niet-naleving door een vennootschap van wettelijke voorschriften ter bescherming van het beleggend publiek, zoals art. 3 en 7 (oud) Wte 1995, in beginsel, althans eerder dan bij andere normschendingen, aansprakelijkheid meebrengt van iedere bestuurder van die vennootschap. Met de niet-naleving van dergelijke voorschriften zou een persoonlijk ernstig verwijt in beginsel gegeven zijn.

De Hoge Raad wijst dit van de hand:

“3.4.2 Ook als een vennootschap wettelijke voorschriften ter bescherming van het beleggend publiek schendt, geldt voor de aansprakelijkheid van een bestuurder van die vennootschap jegens derden, het hiervoor in 3.3.2 genoemde vereiste dat die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Daarmee verdraagt zich niet dat in dat geval de aansprakelijkheid van een bestuurder op grond van art. 6:162 BW wordt aangenomen zonder dat sprake is van een persoonlijk ernstig verwijt, of dat die aansprakelijkheid wordt aangenomen op grond van een vermoeden van een persoonlijk ernstig verwijt. De rechtsopvatting die onderdeel 3 verdedigt, kan niet worden aanvaard. Het onderdeel faalt om die reden.”

De Hoge Raad merkt tot slot op dat het op zichzelf juist is dat ook het houden van onvoldoende toezicht op de uitoefening van een taak door een medebestuurder onder omstandigheden persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder kan meebrengen, maar dat het hof dat niet heeft miskend.

Volgt verwerping van het cassatieberoep.

email print