HR 6 april 2012, LJN BV7828 (Duka/Achmea)

Van misbruik van procesrecht of onrechtmatig procederen is pas sprake als het instellen van een vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Een verandering van eis is in cassatie niet mogelijk.

Duka, exploitante van een Haags café, heeft naar aanleiding van een brand in het café haar bedrijfsschadeverzekeraar Achmea om uitkering verzocht. Twee maanden voor de brand had Duka het verzekerde bedrag voor de bedrijfsinventaris verhoogd van € 300.000 naar € 660.000. Achmea heeft uitkering geweigerd, omdat volgens haar de brand was gesticht in opdracht van de cafébaas, de bestuurder en enig aandeelhouder van Duka. In deze procedure vordert Duka een verklaring voor recht dat Achmea tot uitkering is gehouden. Achmea vordert in reconventie vergoeding van haar werkelijke proceskosten. Zij stelt daartoe dat Duka de onderhavige procedure zonder grond heeft aangespannen.

In navolging van de rechtbank oordeelde het hof dat voldoende aannemelijk was geworden dat de brand inderdaad in opdracht van de cafébaas was gesticht, zodat Duka’s vordering in conventie niet toewijsbaar was. De Hoge Raad verwerpt in het principale cassatieberoep de desbetreffende klachten van Duka met toepassing van art. 81 RO.

Het incidentele cassatieberoep ziet op de reconventionele vordering van Achmea tot vergoeding van de werkelijke proceskosten. Deze vordering was door het hof eveneens afgewezen, omdat volgens het hof niet ontoelaatbaar was dat Duka haar – later onjuist gebleken, althans als onjuist beoordeelde – feitelijke standpunt omtrent de brand verdedigde.

De Hoge Raad verenigt zich met dit oordeel:

“Naar het hof terecht heeft geoordeeld, is deze vordering alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen (rov. 11). Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden (HR 29 juni 2007, LJN BA3516, NJ 2007/353). Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM.”

Uitgaande van deze terughoudende maatstaf brengt de omstandigheid dat door de rechtbank en het hof voldoende bewezen is geacht dat de brand is gesticht in opdracht van de cafébaas, niet zonder meer mee dat ook de vereiste mate van zekerheid is verkregen over het gestelde misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van de onderhavige procedure, aldus de Hoge Raad. Dat geldt ook indien het handelen van de cafébaas zou moeten worden toegerekend aan Duka (zoals door Achmea aangevoerd maar door het hof verworpen).

In lijn met het voorgaande vindt Achmea in cassatie ook geen gehoor met haar vermeerdering van eis, die strekte tot vergoeding van de daadwerkelijk door Achmea in cassatie gemaakte proceskosten. De Hoge Raad overweegt:

“Een verandering van eis is in cassatie echter niet mogelijk, nu de cassatieprocedure geen feitelijke instantie is en art. 130 Rv. dan ook toepassing mist. Achmea is derhalve niet-ontvankelijk in haar vermeerdering van haar eis. Voor zover de vermeerdering van eis mede zou zijn bedoeld als een verzoek om een kostenveroordeling in cassatie die haar volledige proceskosten vergoedt, geldt dat voor de inwilliging daarvan geen aanleiding bestaat, mede gelet op hetgeen hiervoor in 5.2 is overwogen.”

Zowel in het principale als in het incidentele cassatieberoep volgt dus verwerping. Anders oordeelde Advocaat-Generaal Timmerman, die het incidentele cassatieberoep van Achmea gegrond achtte (conclusie, sub 4.5 e.v.) en haar vermeerdering van eis toelaatbaar (conclusie, sub 5.3).

Share This