HR 2 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1056 (ABN AMRO/Verweerder)

Bij de beantwoording van de vraag of ABN AMRO afgifte van een integriteitsverklaring mocht weigeren, diende het hof de relevante gedragingen van verweerder niet alleen op zichzelf, maar mede in onderlinge samenhang te beoordelen. Daarom is het oordeel dat die gedragingen niet in strijd zijn met de Integriteitscode van de Nederlandse Vereniging van Banken onvoldoende gemotiveerd.

Verweerder is een voormalige districtsdirecteur van ABN AMRO, die in 2005 met een gouden handdruk van € 770.000,- is vertrokken. Hem is door zijn (beoogde) nieuwe werkgever MeesPierson de deur gewezen, omdat ABN AMRO weigerde een door MeesPierson verzochte “integriteitsverklaring” af te geven. Het ging hier om een uitvloeisel van de “Integriteitscode” van de Nederlandse Vereniging van Banken (daterend van 20 mei 1998), die de leden ertoe verplicht zich ervan te vergewissen dat nieuw aan te trekken medewerkers voldoen aan “ter zake te stellen eisen van integriteit”.

In dit geding vordert verweerder een verklaring voor recht dat ABN AMRO schadeplichtig is wegens onterechte weigering van de integriteitsverklaring. Grondslag van deze vordering is primair wanprestatie – kennelijk uit hoofde van de (post)contractuele eisen van goed (ex-)werkgeverschap (vgl. art. 7:611 BW) – en subsidiair onrechtmatige daad (zie de conclusie, sub 2.1).

Hoewel verweerder de tijdgeest niet mee had, vond hij in feitelijke instanties gehoor bij zowel de kantonrechter als het hof. Zij oordeelden dat ABN AMRO in casu onvoldoende grond had om afgifte van de integriteitsverklaring te weigeren.

Het hof heeft in zijn eindarrest (waartoe het cassatieberoep is beperkt) met name de volgende drie (gestelde) gedragingen van verweerder onvoldoende geoordeeld voor het weigeren van een integriteitsverklaring.

  • Verweerder had een medewerker van ABN AMRO verzocht een kredietfaciliteit te verstrekken aan een bevriende relatie van verweerder, die bij het BKR was geregistreerd als slechte betaler (en daarom geen lening kon krijgen). Het hof achtte deze handelwijze van verweerder weliswaar “afkeurenswaardig”, maar niet voldoende voor het weigeren van een integriteitsverklaring, omdat verweerder het krediet niet zelf had verstrekt, hij ook niet stelselmatig krediet verleende aan bevriende relaties, het een zeer beperkt bedrag betrof en niet was gebleken dat verweerder de betrokken medewerker onder druk had gezet.
  • Verweerder had geprobeerd te bewerkstelligen dat omzet van andere bankfilialen werd overgeheveld naar het kantoor aan de Apollolaan, omdat dit kantoor zijn doelstelling nog niet had gehaald. Ook dit gedrag achtte het hof “niet erg gelukkig”, maar onvoldoende om een integriteitsverklaring te weigeren, omdat overheveling van omzet naar een ander filiaal “onmiddellijk zou zijn opgemerkt”.
  • Verweerder had bepaalde transacties reeds laten inboeken voordat deze definitief waren overeengekomen. Ook hierin zag het hof geen grond voor weigering van de integriteitsverklaring, omdat het systeem voorzag in correctie van onjuiste vermeldingen en uitsluitend was bedoeld voor competitie tussen de verschillende bankfilialen.

In cassatie klaagt ABN AMRO dat onbegrijpelijk is waarom het hof de hierboven weergegeven gedragingen niet heeft aangemerkt als strijdig met de Integriteitscode, mede in het licht van een reeks van andere dubieuze gedragingen (weergegeven in rov. 3.2.3 van het arrest), die het hof op zichzelf beschouwd evenmin voldoende achtte voor weigering van de integriteitsverklaring.

De Hoge Raad honoreert deze motiveringsklacht:

“Het middel slaagt. Het hof diende, bij beantwoording van de vraag of ABN AMRO afgifte van de door MeesPierson op de voet van de Integriteitscode verzochte verklaring mocht weigeren, de relevante gedragingen van [verweerder] niet alleen op zichzelf, maar mede in onderlinge samenhang te beoordelen. Daarbij gaat het niet alleen om de gedragingen die het hof in zijn eindarrest bewezen heeft geacht, maar ook om de gedragingen die het hof in zijn eerste tussenarrest heeft aangemerkt als onvoldoende om als grond te kunnen dienen voor het weigeren van de integriteitsverklaring, respectievelijk om [verweerder] als niet-integer in de zin van de Integriteitscode te beschouwen. Gelet op een en ander is het bestreden oordeel ontoereikend gemotiveerd.”

Bijzonder is dat de Hoge Raad met dit oordeel door het feitelijke karakter van de zaak heen breekt. ’s Hofs oordeel was niet onbegrijpelijk in die zin dat het onnavolgbaar of inconsistent was. Het motiveringsgebrek schuilt erin, aldus de Hoge Raad, dat het hof de verschillende (gestelde) gedragingen van verweerder niet in onderlinge samenhang heeft beschouwd.

Het lijkt er sterk op dat de Hoge Raad hiermee wil zeggen dat het hof die gedragingen in onderlinge samenhang – althans in beginsel, dus behoudens bijzondere omstandigheden – wel degelijk als strijdig met de integriteitscode had moeten aanmerken. Dat was ook de opvatting van A-G Spier, die concludeerde dat de Hoge Raad de zaak zelf kon afdoen door de vordering alsnog af te wijzen (zie zijn conclusie, sub 3.8 en 5.3). De Hoge Raad volstaat met vernietiging en verwijzing.

Interessant is nog te wijzen op par. 3.4 e.v. van de conclusie, waar Spier ingaat op de vraag of gewijzigde denkbeelden een rechtvaardigingsgrond kunnen opleveren voor gedrag dat naar de huidige maatstaven als “rechtens verkeerd” kwalificeert. Geheel uitgesloten acht Spier dit niet, maar hij bepleit in dit verband wel terughoudendheid (sub 3.6.2):

“Wanneer een bepaalde handelwijze destijds maatschappelijk werd aanvaard, kan daarin een grond gelegen zijn om de handelwijze niet als rechtens verkeerd te bestempelen. Maar dat laatste is geen wet van Meden en Perzen, zoals bijvoorbeeld de asbestjurisprudentie leert. Wederom: de geschiedenis leert en wij allen weten dat hetgeen maatschappelijk wordt “aanvaard” in voorkomende gevallen zó verkeerd is dat men zich later niet kan verschuilen achter bepaalde modetrends.”

Share This