Rb. Midden-Nederland 18 december 2013 (Eiser/CSU Personeel B.V.), ECLI:NL:RBMNE:2013:7614

Prejudiciële vragen over de uitleg van art. 7:629 lid 3 onder c en d BW: wat moet worden verstaan onder “de tijd gedurende welke” de werknemer zonder goede grond passende arbeid niet heeft verricht of heeft geweigerd mee te werken aan redelijke voorschriften om te komen tot het verrichten van passende arbeid? Gaat het hier om de periode waarin de werknemer dit verwijt treft (zodat het volledige recht op loonbetaling vervalt), of gaat het alleen om de uren waarin ten onrechte geen passende arbeid is verricht (zodat de werknemer alleen voor die uren zijn recht op loon verliest, en nog wel recht op loon behoudt voor het deel van de uren waarvoor hij arbeidsongeschikt was)? 

Casus

Eiser in deze zaak is vanaf november 2006 als schoonmaker in dienst geweest bij CSU Personeel BV. Op 9 juli 2009 heeft eiser zich arbeidsongeschikt gemeld. De bedrijfsarts heeft kort daarop geconcludeerd dat er mogelijkheden waren voor aangepast werk en dat eiser vanaf 13 juli 2009 zijn werkzaamheden weer zou kunnen hervatten. In december 2009 heeft de bedrijfsarts geadviseerd dat eiser vanaf 14 december 2009 ingezet kon worden voor halve dagen in aangepaste taken. Vervolgens zou in het kader van zijn reïntegratie een opbouwschema gehanteerd kunnen worden, uitmondend in volledige hervatting van de werkzaamheden per 28 januari 2010.

Het geschil in de procedure spitst zich met name toe op de periode vanaf 15 december 2009 en 28 januari 2010. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij over die periode (en overigens ook daarna) arbeidsongeschikt was en heeft toen kennelijk niet het door de bedrijfsarts geadviseerde reïntegratietraject gevolgd. CSU Personeel heeft vanaf 15 december 2009 in het geheel geen loon aan eiser betaald.

Uitleg art. 7:629 lid 3 BW

Eiser betoogt in deze procedure dat hij over de periode na 15 december 2009 wel recht heeft op doorbetaling van een deel van zijn loon, namelijk voor de uren waarvan vaststaat dat hij in elk geval nog volledig arbeidsongeschikt was. Eiser beroept zich daartoe op een uitspraak van het Hof Amsterdam van 7 april 2005, JAR 2005/111, waarin is geoordeeld dat een werknemer die (ten onrechte) niet volledig de aangepaste arbeid verricht, wel recht heeft op doorbetaling van het loon voor het deel dat hij arbeidsongeschikt is.

De kantonrechter signaleert in zijn uitspraak (rov. 5.3.2) dat op dit punt sprake is van uiteenlopende rechtspraak. Zo heeft het Hof Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2013:5362, JAR 2013/228) geoordeeld dat onder “de tijd gedurende welke” de werknemer niet voldoet aan de verplichtingen van art. 7:926 lid 3 onder c en d BW moet worden verstaan: de periode waarin dit gedrag van de werknemer plaatsvindt. Die uitleg leidt ertoe dat de werknemer in de betreffende periode zijn gehele recht op loon verliest, ook al staat vast dat hij voor een deel van zijn arbeidstijd arbeidsongeschikt is. Het Hof Amsterdam heeft in zijn hierboven al genoemde uitspraak juist de tegenovergestelde benadering gekozen. Ook andere rechtspraak is op dit punt verdeeld.

Prejudiciële vraagstelling

Gelet hierop is de kantonrechter in deze zaak van oordeel dat de rechtseenheid gediend is met het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. Dat is overigens niet (exact) het wettelijke criterium voor prejudiciële vraagstelling: volgens art. 392 lid 1 Rv is dat mogelijk  in (a) zaken waarin het gaat om een veelheid van vorderingsrechten op grond van dezelfde of soortgelijke feiten (“massaschadezaken”), en (b) de vraag zich voordoet in “talrijke” andere uit soortgelijke feiten of geschillen. Hoewel in deze twee categorieën natuurlijk wel besloten ligt dat in die gevallen de rechtseenheid is gediend met prejudiciële vraagstelling, moet de rechter die een prejudiciële vraag stelt volgens art. 392 lid 3 Rv wel in zijn vonnis doen blijken dat de zaak behoort tot (één van) de twee specifieke categorieën die in art. 392 lid 1 onder a en b Rv zijn genoemd.

Ook de formulering door de kantonrechter van de aan de Hoge Raad voorgelegde prejudiciële vraag is wat onorthodox (voor zover men daarvan bij dit relatief nieuwe instrument al kan spreken): het vonnis sluit niet af met een concreet geformuleerde vraag (of vragen), maar verwijst naar “de in r.o. 5.3.1 tot en met 5.3.6 geduide rechtsvraag”. Kennelijk is bedoeld om aan de Hoge Raad de vraag voor te leggen hoe de zinsnede “de tijd gedurende welke” in art. 7:926 lid 3 BW moet worden uitgelegd.

Share This