Selecteer een pagina

HR 22 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1391 (CNV Vakmensen c.s./Vebidak)

Art. 17 van de CAO voor de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven beoogt, blijkens zijn inhoud en opbouw, uitsluitend een vergoeding te bieden voor de duur van het vervoer dat onder het gezag van de werkgever plaatsvindt (en niet voor het normale woon-werkverkeer). Het is aan partijen overgelaten om afspraken te maken over de vergoeding van reistijd als de reis geen onderdeel uitmaakt van de overeengekomen arbeid.

Het gaat in dit geding om de uitleg van art. 17 van de CAO voor de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingsbedrijven (dat algemeen verbindend is verklaard). Volgens het tweede lid van dit artikel heeft de werknemer die, conform het eerste lid, verplicht is voor de reis van zijn woonplaats naar het werkobject gebruik te maken van een door de werkgever aangewezen vervoermiddel, recht op een urenvergoeding voor de duur van die reis, behoudens de eerste 60 minuten. Het derde lid bepaalt met betrekking tot de berekening van de reistijd:

“Onder ‘duur van de reis’ bedoeld in lid 2 wordt verstaan het tijdsverloop tussen het vertrek van het vervoermiddel naar het werk en de aankomst op het werk, alsmede het tijdsverloop terug van het werk naar de plaats van vertrek. (…)”

Tussen eiseressen tot cassatie, twee vakbonden, en verweerster, de Vereniging Dakbedekkingsbranche Nederland VEBIDAK, is een geschil ontstaan over de uitleg van het begrip “duur van de reis”. Het geschil spitst zich toe op de situatie dat werknemers zich op aanwijzing van de werkgever op het bedrijf verzamelen en van daaruit met de bedrijfsbus naar het werkobject vertrekken. De vakbonden stellen zich op het standpunt dat in die situatie de duur van de reis wordt bepaald door het tijdverloop vanaf het moment waarop de werknemer vanuit zijn woonplaats vertrekt (en vice versa). De werkgevers (Vebidak) stellen zich daarentegen op het standpunt dat voor de berekening van de reistijd alleen de busreis mag worden meegeteld, met aftrek van de eerste 60 minuten.

Het hof koos, in navolging van de rechtbank, de door de werkgevers bepleite uitleg. Nu in art. 17 lid 3 van de CAO het begin van de reistijd wordt bepaald door het vertrek van het vervoermiddel, is in geval van een door de werkgever aangewezen en ter beschikking gestelde bedrijfsbus die vertrekt vanaf het bedrijfsterrein van de werkgever, het begin van de reistijd niet het moment waarop de werknemer van huis vertrekt, maar het moment waarop de bus van het bedrijf van de werkgever vertrekt, aldus het hof.

In cassatie klagen de vakbonden over de onjuistheid van deze uitleg. Daartoe voeren zij onder meer aan (i) dat de (forfaitaire) aftrek van de eerste 60 minuten erop duidt dat beoogd is te voorzien in een redelijke woon-werkvergoeding en (ii) dat het ongerijmde gevolg van ’s hofs uitleg is dat de werknemer bij het gebruik van een bedrijfsbus niet alleen de reistijd van zijn woonplaats naar het bedrijf van de werkgever voor eigen rekening moet nemen, maar ook de eerste 60 minuten van de reistijd per bedrijfsbus.

De Hoge Raad stelt in rov. 3.4 voorop dat een algemeen verbindend verklaarde (of daarmee gelijk te stellen) CAO kwalificeert als “recht” in de zin van art. 79 RO, zodat de uitleg daarvan in cassatie op juistheid kan worden getoetst. Ter vergelijking zij bedacht dat de uitleg van een CAO met louter contractuele status door de Hoge Raad slechts marginaal op (on)begrijpelijkheid wordt getoetst, aangenomen dat de feitenrechter de objectieve maatstaf voor uitleg van CAO’s (waarover nader de conclusie van A-G Van Peursem, sub 2.8) niet heeft miskend.

De Hoge Raad verenigt zich, in navolging van de conclusie (sub 2.15 e.v.),  met de door het hof gekozen uitleg. Volgens de Hoge Raad beoogt art. 17 van de CAO, blijkens zijn inhoud en opbouw, uitsluitend een vergoeding te bieden voor de duur van het vervoer dat onder het gezag van de werkgever plaatsvindt en dat derhalve (anders dan het normale woon-werkverkeer) heeft te gelden als arbeidstijd in de zin van art. 1:7 sub k Arbeidstijdenwet (Atw). Hiervan uitgaande is de “plaats van vertrek” in de zin van art. 17 lid 3 van de CAO dus “de plaats waarop het door de werkgever aangewezen vervoer aanvangt”. Dat kan het woonadres van de werknemer zijn, maar ook het bedrijfsterrein van de werkgever of een andere daarvoor in aanmerking komende plaats (rov. 3.5.1).

De omstandigheid dat bij deze uitleg soms een belangrijk deel van de reistijd van de werknemer niet zal worden vergoed indien het door de werkgever aangewezen vervoer plaatsvindt vanaf diens bedrijfsterrein, maakt die uitleg volgens de Hoge Raad niet onaanvaardbaar. De wet verplicht de werkgever immers niet tot vergoeding van reistijd als de reis geen onderdeel uitmaakt van de overeengekomen arbeid. Het is aan partijen overgelaten om hierover afspraken te maken, ook voor zover de reistijd als arbeidstijd in de zin van de Atw is aan te merken op de enkele grond dat de reis plaatsvindt onder gezag van de werkgever omdat hij degene is die de wijze van vervoer bepaalt (rov. 3.5.2).

Ter nuancering van het voorgaande merkt de Hoge Raad op dat de wijze waarop de werkgever op de voet van art. 17 lid 1 van de CAO het vervoer van de werknemers bepaalt, wel in strijd kan komen met de eis van goed werkgeverschap (art. 7:611 BW) of de eisen van redelijkheid en billijkheid, indien deze voor de werknemers in een onevenredige mate leidt tot reistijd die niet op de voet van het artikel voor vergoeding in aanmerking komt (rov. 3.5.4).

Share This