Selecteer een pagina

HR 24 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:159 (Ondernemingsraad Stena Line B.V./Stena Line B.V.)

Een pensioenverzekeringsregeling is geen primaire arbeidsvoorwaarde. Voor wijziging van de pensioengrondslag is daarom op de voet van art. 27 lid 1, aanhef en onder a, WOR instemming van de ondernemingsraad vereist.

Inleiding

In deze zaak gaat het in de eerste plaats om de vraag of de wijziging van de pensioengrondslag van het kantoorpersoneel van Stena Line B.V. valt onder het instemmingsrecht van art. 27 lid 1 onder a WOR. In de tweede plaats is aan de orde hoe moet worden beoordeeld of de Ondernemingsraad (hierna: OR) onredelijk heeft gehandeld door zijn instemming aan deze voorgenomen wijziging te onthouden (art. 27 lid 4 WOR).

Feiten en procesverloop

Een van de drie binnen Stena Line toepasselijke arbeidsvoorwaardenpakketten betreft het kantoorpersoneel. Art. 6 lid 3 van het huidige pensioenreglement voor het kantoorpersoneel luidt: “Het pensioengevend salaris is 12 x het maand salaris (…) vermeerderd met de vakantietoeslag en de overeengekomen vaste uitkeringen. (…)”. Stena Line betaalt haar kantoorpersoneel een roostertoeslag voor werk gedurende a-normale uren (hierna ook: ORT).

In een procedure tussen Stena Line en een van haar werknemers heeft het gerechtshof ’s-Gravenhage beslist dat de ORT moet worden beschouwd als een “vast overeengekomen uitkering” in de zin van art. 6 lid 3 van dat reglement en dientengevolge mede grondslag is voor het pensioengevend salaris. Daarna heeft Stena Line de OR ter instemming het voorgenomen besluit voorgelegd om de pensioenregeling van haar kantoorpersoneel te wijzigen en “vast te leggen dat de pensioengrondslag/het pensioengevend salaris bestaat uit 12 x het maand salaris verhoogd met de vakantietoeslag.” De OR heeft niet met het voorgenomen besluit ingestemd. Stena Line heeft rechterlijke toestemming verzocht om het voorgenomen besluit te nemen. De kantonrechter heeft het verzoek afgewezen.

Oordeel hof

Het hof heeft de beschikking van de kantonrechter vernietigd en alsnog de verzochte vervangende toestemming verleend. Het overwoog daartoe als volgt:

“5. Nu het met de vakbonden niet is gekomen tot een regeling ten aanzien van de pensioengevendheid van de ORT, dient Stena Line zich met betrekking tot dat onderwerp te wenden tot de OR om een wijziging als voorgestaan (waarbij de systematiek van de pensioenopbouw wordt gewijzigd) te realiseren. Naar het oordeel van het hof is het voorgenomen besluit dat hier aan de orde is (op de voet van art. 27 van de WOR) instemmingsplichtig. Terecht heeft Stena Line zich dan ook tot de kantonrechter gewend om de vereiste instemming van de OR te verkrijgen.

6. Waar de OR de lezing die Stena Line gegeven heeft met betrekking tot de ontstaansgeschiedenis van de zinsnede “overeengekomen vaste uitkeringen” niet gemotiveerd bestreden heeft, kan er in rechte vanuit worden gegaan dat het nooit de bedoeling geweest is om de ORT onderdeel uit te laten maken van het pensioengevend salaris. Tegen die achtergrond en in aanmerking genomen het gegeven dat op grond van het arrest van het hof van 9 november 2010 de bepaling zoals die thans luidt (niet beoogde) negatieve financiële consequenties heeft voor Stena Line, is het hof van oordeel dat de weigering van de OR om die gevraagde instemming te verlenen, onredelijk is. Met betrekking tot voorgaande is ook nog van belang dat door de wijziging aanspraken van werknemers die gegrond zijn op de tekst van het pensioenreglement zoals die thans luidt, niet per definitie komen te vervallen.”

Het geding in cassatie 

In cassatie klaagt de OR in de eerste plaats over ’s hofs overweging in r.o. 5 dat voor de wijziging van de pensioengrondslag de instemming van de OR moet worden gevraagd (art. 27 lid 1, aanhef en onder a, WOR). De OR voert daartoe aan dat een besluit tot wijziging van de pensioengrondslag betrekking heeft op een primaire arbeidsvoorwaarde en daarom niet onder het instemmingsrecht valt. Volgens de OR volgt uit de parlementaire geschiedenis van de WOR dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest aan de OR een instemmingsrecht te geven met betrekking tot de vaststelling of wijziging van primaire arbeidsvoorwaarden. Naar de bedoeling van de wetgever vindt werknemersparticipatie over de primaire arbeidsvoorwaarden plaats in cao-overleg met vakorganisaties.

In de tweede plaats klaagt de OR over ’s hofs oordeel dat zijn weigering om instemming te verlenen onredelijk is. Volgens de OR dienen alle omstandigheden van het geval te worden betrokken in de beoordeling op de voet van art. 27 lid 4 WOR en heeft het hof niet, althans onvoldoende kenbaar, aandacht besteed aan de door de OR aangevoerde argumenten.

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad overweegt in r.o. 3.4.2 dat art. 27 lid 1, aanhef en onder a, WOR bepaalt dat het besluit tot vaststelling, wijziging of intrekking van een regeling met betrekking tot een pensioenverzekering instemming van de OR behoeft. Hij vervolgt met de overweging dat uit de parlementaire geschiedenis van de WOR, aangehaald in de conclusie van de A-G onder 2.8, blijkt dat de wetgever bij de totstandkoming van die wet de vraag onder ogen heeft gezien of een (wijziging in een) pensioenverzekeringsregeling dient te worden aangemerkt als een primaire arbeidsvoorwaarde, en dat hij ervoor heeft gekozen dit niet tot de primaire arbeidsvoorwaarden te rekenen opdat de ondernemingsraad een instemmingsrecht zou hebben met betrekking tot zodanige besluiten van de ondernemer. Naar het oordeel van de Hoge Raad volgt hieruit dat de wetgever een pensioensverzekeringsregeling heeft beschouwd als een secundaire arbeidsvoorwaarde, die niet is onttrokken aan het instemmingsrecht van de ondernemingsraad.

De Hoge Raad overweegt in r.o. 3.4.2 voorts dat art. 27 lid 1, aanhef en onder a, WOR sedertdien niet is gewijzigd en dat ook overigens niet blijkt van gewijzigde opvattingen van de wetgever over deze kwestie. Eerder is sprake van het tegendeel, aangezien de wetgever ook later ervan heeft blijk gegeven het instemmingsrecht van de ondernemingsraad te willen handhaven (zie de conclusie van de A-G onder 2.15). Het hof heeft dus terecht geoordeeld dat instemming van de ondernemingsraad is vereist voor de wijziging van de pensioengrondslag (zie r.o. 3.4.2).

De tweede cassatieklacht dat het hof niet alle argumenten van de OR in zijn beoordeling heeft betrokken slaagt wel:

“Art. 27 lid 4 WOR geeft de rechter op slechts twee gronden de bevoegdheid om de ondernemer toestemming te verlenen tot het nemen van een besluit waarvoor geen instemming van de ondernemingsraad is verkregen. Het hof heeft zijn toestemming blijkbaar verleend op de in art. 27 lid 4 WOR als eerste genoemde grond, namelijk dat de beslissing van de ondernemingsraad om geen instemming te geven onredelijk is. Van zodanige onredelijkheid is sprake indien de argumenten van de ondernemer voor het voorgenomen besluit zwaarder wegen dan die van de ondernemingsraad voor het onthouden van zijn instemming. In het onderhavige geval heeft de ondernemingsraad zijn argumenten vermeld in zijn verweerschrift in hoger beroep onder 9-16 en bij pleidooi (pleitnotities onder 4-7). Uit de beschikking van het hof blijkt niet dat het die argumenten in zijn beoordeling heeft betrokken. Aldus heeft het hof ofwel blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, ofwel zijn beschikking onvoldoende gemotiveerd.” (zie r.o. 3.5.2)

De Hoge Raad vernietigt de beschikking van het hof en verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar een ander hof, dit is conform de conclusie van A-G Van Peursem.

Share This