Https://cassatieblog.nl maakt gebruik van cookies voor webanalyse en social media sharing. Google Analytics analyseert met behulp van cookies hoe de website wordt gebruikt. Daarnaast toont Https://cassatieblog.nl knoppen om informatie te delen op sociale media. Deze knoppen worden enkel weergegeven als u toestemming geeft cookies te plaatsen op uw computer. Meer informatie vindt u in ons privacy statement.
weigeren accepteren

Voorrecht uit zee-arbeidsovereenkomst prevaleert boven scheepshypotheek

CB 2018-121 Geplaatst op 10 juli 2018 door

HR 6 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1108 (Rabobank/werknemers)

Het scheepsvoorrecht uit art. 8:211, aanhef en onder b, BW jo. art. 8:204 BW – gelijkluidend aan dezelfde bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek Curaçao (BWC) – strekt ertoe met het oog op de bescherming van de belangen van de zeevarende diens verhaalsmogelijkheden voor de vorderingen die zijn ontstaan uit de zee-arbeidsovereenkomst zoveel mogelijk te waarborgen (HR 23 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG3588, NJ 2009/71). De vorderingen van de werknemers die zijn ontstaan doordat de werkgever niet heeft voldaan aan haar uit de arbeidsovereenkomsten voortvloeiende verplichting om te zorgen voor een (pre)pensioenvoorziening, vallen onder het scheepsvoorrecht en prevaleren boven het recht van hypotheek van de scheepshypotheekhouder.

Achtergrond van deze zaak

Elf werknemers hebben krachtens een arbeidsverhouding met werkgeefster Avra Towage BV als kapitein of stuurman op diverse schepen gevaren. Deze schepen waren eigendom van ‘single ship companies’. Rabobank heeft op elk van deze schepen een hypotheekrecht verkregen. In het kader van een uit de arbeidsovereenkomsten voortvloeiende verplichting om voor pensioenopbouw te zorgen, heeft Avra de werknemers aangemeld bij een pensioenfonds. Dit pensioenfonds heeft de deelname aan de pensioenregeling met terugwerkende kracht beëindigd. Hierdoor is er in 2010-2014 geen (pre)pensioen opgebouwd bij het pensioenfonds.

In 2014 hebben (de meeste) werknemers een voorrecht op de schepen doen inschrijven op het Scheepsregister van Curaçao ex art. 8:215 jo. art. 8:211 BWC. Vervolgens hebben zij conservatoir beslag doen leggen op enkele schepen. Nadien heeft Rabobank deze schepen executoriaal verkocht en een deel van de veilingopbrengst in depot gestort. Kort daarna is Avra gefailleerd.

De werknemers hebben in het faillissement van Avra schadevergoedingsvorderingen ter verificatie ingediend. Volgens hen heeft Avra wanprestatie gepleegd doordat er in 2010-2014 geen (pre)pensioen is opgebouwd bij het pensioenfonds. De vraag is aan de orde of de schadevergoedingsvorderingen van de werknemers onder het scheepsvoorrecht vallen en daarmee voorrang hebben boven het hypotheekrecht van Rabobank. Het hof heeft geoordeeld dat dit het geval is en dat Rabobank afstand heeft gedaan van haar recht om een beroep te doen op de vervaltermijn van art. 8:219 BW. De Rabobank heeft cassatieberoep ingesteld.

Het voorrecht bij een zee-arbeidsovereenkomst

In cassatie wordt geklaagd dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de vorderingen onder het scheepsvoorrecht vallen.

De Hoge Raad verwerpt deze klachten en overweegt dat art. 8:211, aanhef en onder b, BW een voorrecht verbindt aan vorderingen ontstaan uit een zee-arbeidsovereenkomst. Dit voorrecht heeft  ingevolge art. 8:204 BW voorrang boven vorderingen die door hypotheek zijn gedekt. Deze bepalingen zijn gelijkluidend aan de – in deze zaak toepasselijke – art. 8:204 en 8:211, aanhef en onder b, BWC, met dien verstande dat in laatstgenoemde bepaling het voorrecht is verbonden aan vorderingen ontstaan uit de arbeidsovereenkomsten van de kapitein of de andere leden van de bemanning. De genoemde bepalingen dienen, in overeenstemming met het concordantiebeginsel, naar Nederlands en Curaçaos recht gelijk te worden uitgelegd. Onder verwijzing naar HR 23 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG3588, NJ 2009/71 overweegt de Hoge Raad dat het voorrecht ertoe strekt met het oog op de bescherming van de belangen van de zeevarende diens verhaalsmogelijkheden voor de vorderingen die zijn ontstaan uit de zee-arbeidsovereenkomst zoveel mogelijk te waarborgen.

De Hoge Raad vervolgt dat in cassatie niet in geschil is dat de in geding zijnde arbeidsovereenkomsten moeten worden aangemerkt als arbeidsovereenkomsten in de zin van art. 8:211, aanhef en onder b, BW. De vorderingen van de werknemers zijn ontstaan doordat Avra niet heeft voldaan aan haar uit deze arbeidsovereenkomsten voortvloeiende verplichting om te zorgen voor een (pre)pensioenvoorziening voor de werknemers. Deze vorderingen staan in een voldoende verband met de arbeidsovereenkomsten om te worden aangemerkt als vorderingen ‘ontstaan uit de zee-arbeidsovereenkomsten’ in de zin van voornoemde bepaling. Mede gelet op de strekking van het voorrecht, bieden de wet en de wetsgeschiedenis geen steun voor een beperktere opvatting waarin het met het voorrecht gediende belang van de zeevarende in een geval als het onderhavige zou moeten wijken voor het met het recht van hypotheek gediende belang van de scheepshypotheekhouder.

De in art. 8:211, aanhef en onder b (slot), BW opgenomen beperking (“met dien verstande dat vorderingen met betrekking tot loon, salaris of beloningen slechts bevoorrecht zijn tot op een bedrag over een tijdvak van twaalf maanden verschuldigd”) is op dit geval niet van toepassing. De vorderingen van de werknemers op grond van wanprestatie zijn vorderingen van een andere aard dan de tot nakoming strekkende loonvorderingen zoals in voornoemde bepaling bedoeld. Wet noch wetsgeschiedenis bevat grond om deze beperking zo uit te leggen dat deze zich ook uitstrekt tot schadevergoedingsvorderingen zoals in dit geval aan de orde.

De Hoge Raad verwerpt ook het door de werknemers ingestelde incidentele cassatieberoep. Volgens de Hoge Raad heeft het hof terecht geoordeeld dat de aard van de voorrechten meebrengt dat de vordering van een zeevarende moet worden uitgesplitst per schip, en dat de daartegen aangevoerde rekenkundige of praktische bezwaren daaraan niet kunnen afdoen.

Beroep op vervaltermijn prijsgegeven

In cassatie wordt daarnaast het oordeel van het hof bestreden dat Rabobank afstand heeft gedaan van haar recht om een beroep te doen op de vervaltermijn uit art. 8:219 BW.

Ook deze klacht faalt. De Hoge Raad overweegt daartoe dat de oorspronkelijke verweerder in hoger beroep op de voet van art. 348 Rv nieuwe verweren kan aanvoeren, tenzij deze in het geding in eerste aanleg zijn gedekt. Een verweer kan slechts als gedekt worden aangemerkt indien uit de door een partij in eerste aanleg ingenomen proceshouding ondubbelzinnig voortvloeit dat het betreffende verweer is prijsgegeven (HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:141, NJ 2018/98, besproken in CB 2018-42, met verwijzing naar HR 19 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1964, NJ 1996/709).

Blijkens het proces-verbaal van de comparitie van partijen in eerste aanleg heeft Rabobank verklaard dat de vervaltermijn in deze zaak geen rol speelt en dat Rabobank daarop geen beroep doet. De Hoge Raad acht het klaarblijkelijke oordeel van het hof dat Rabobank hiermee ondubbelzinnig een beroep op de vervaltermijn heeft prijsgegeven, niet onbegrijpelijk.

De Hoge Raad verwerpt zowel het principale als het incidentele cassatieberoep.

email print