Https://cassatieblog.nl maakt gebruik van cookies voor webanalyse en social media sharing. Google Analytics analyseert met behulp van cookies hoe de website wordt gebruikt. Daarnaast toont Https://cassatieblog.nl knoppen om informatie te delen op sociale media. Deze knoppen worden enkel weergegeven als u toestemming geeft cookies te plaatsen op uw computer. Meer informatie vindt u in ons privacy statement.
weigeren accepteren

Gedekt verweer & redelijkheid en billijkheid bij opzegging van duurovereenkomsten

CB 2018-42 Geplaatst op 22 februari 2018 door

HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:141 (Goglio/SMQ Group)

(i) Wanneer de wet of een duurovereenkomst voorziet in een regeling van de opzegging, kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid op grond van art. 6:248 lid 1 meebrengen dat aan de opzegging nadere eisen gesteld worden. (ii) De uitleg van stellingen en verklaringen van procespartijen die ten grondslag liggen aan de beslissing van een hof dat sprake is van een gedekt verweer, is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt.

Achtergrond

SMQ is houdster van een aantal octrooien op het gebied van verpakkingen van vloeibare voedingsmiddelen. In 2010 zijn Goglio, SMQ en diens dochter een licentieovereenkomst voor de duur van 15 jaar aangegaan. In deze overeenkomst is onder meer een opzeggingsmogelijkheid opgenomen: als een partij tekortkomt kan de wederpartij een schriftelijke aanzegging geven, waarna een periode van 60 dagen gaat lopen waarin de tekortkoming kan worden hersteld. Wanneer herstel uitblijft, is opzegging mogelijk tegen een opzegtermijn van 30 dagen. Wanneer de overeenkomst eindigt door een toerekenbare tekortkoming van Goglio, is een ‘break-up fee’ verschuldigd.

SMQ heeft op 6 februari 2013 een ingebrekestelling verzonden vanwege het uitblijven van de licentiebetaling over 2012. Op 19 april 2013 heeft SMQ de overeenkomst met Goglio opgezegd. Op 23 april 2013 heeft Goglio alsnog betaald. In deze procedure heeft SMQ gevorderd Goglio te veroordelen tot betaling van de break-up fee. De rechtbank heeft de vorderingen van SMQ toegewezen, en het hof heeft dit vonnis bekrachtigd. Goglio heeft cassatieberoep ingesteld.

Gedekt verweer

In cassatie komt als eerste aan de orde de vraag of sprake is van een gedekt verweer in de zin van art. 348 Rv. Een gedekt verweer is een uitzondering op de regel in hoger beroep dat de oorspronkelijke gedaagde in appel nieuwe verweren kan aanvoeren. Een verweer is gedekt als uit diens proceshouding ondubbelzinnig voortvloeit dat het desbetreffende verweer is prijsgegeven. Daarvan kan onder meer sprake zijn wanneer in eerste aanleg een bepaald feit of een bepaalde omstandigheid is erkend.

Het hof heeft overwogen dat uit de proceshouding van Goglio ondubbelzinnig voortvloeit dat het in hoger beroep gevoerde verweer dat Goglio niet te laat zou hebben betaald omdat de 60-dagentermijn pas op 26 maart 2013 was aangevangen, een gedekt verweer was. Ter comparitie in eerste aanleg was namens Goglio namelijk verklaard dat het duidelijk is dat Goglio de licentievergoeding te laat heeft betaald.

A-G Van Peursem concludeerde tot vernietiging omdat hij meende dat de klacht dat van een gedekt verweer geen sprake was, slaagde. De erkenning van Goglio dat te laat was betaald, kan immers ook zo worden uitgelegd dat wordt erkend dat pas na 30 januari 2013 (en dus te laat) is betaald, waarmee niet wordt erkend dat pas na het verstrijken van de 60-dagentermijn is betaald. Een gedekt verweer moet ondubbelzinnig zijn prijsgegeven, en naar zijn inschatting is deze erkenning niet ondubbelzinnig genoeg. Weliswaar meent hij dat het standpunt dat de 60-dagentermijn pas op 26 maart is aangevangen ‘niet in redelijkheid vol te houden’ is, maar dit zou wel een feitelijke beoordeling na verwijzing vergen.

De Hoge Raad benadrukt dat de uitleg van Goglio’s verklaringen ter comparitie is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt en in cassatie niet op juistheid kan worden onderzocht: het oordeel van het hof geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Redelijkheid en billijkheid

In cassatie wordt voorts opgekomen tegen het oordeel van het hof dat de opzegging van de duurovereenkomst conform de opzeggingsbevoegdheid niet in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Het hof had geoordeeld dat de opzeggingsmodaliteiten uit het licenciecontract ‘alleszins redelijk’ zijn en dat een opzegging conform de opzeggingsmodaliteiten pas ontoelaatbaar is als deze op grond van art. 6:248 lid 2 BW (de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid) onaanvaardbaar zou zijn. Het middel klaagt dat hiermee wordt miskend dat ook de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 1 BW) in de weg kan staan aan een opzegging conform de overeenkomst.

Bij de beoordeling van deze klacht geeft de Hoge Raad met een vooropstelling en onder verwijzing naar eerdere arresten aan hoe moet worden geoordeeld over de opzegbaarheid van duurovereenkomsten:

“3.6.2 Of en, zo ja, onder welke voorwaarden een duurovereenkomst die voor onbepaalde tijd is aangegaan, opzegbaar is, wordt bepaald door de inhoud daarvan en door de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen.

Indien wet en overeenkomst niet voorzien in een regeling van de opzegging, geldt dat de overeenkomst in beginsel opzegbaar is. Op grond van art. 6:248 lid 1 BW kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien daarvoor een voldoende zwaarwegende grond bestaat. Die eisen kunnen voorts in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding. (Vgl. onder meer HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9854, NJ 2012/685, rov. 3.6, HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4163, NJ 2013/341, rov. 3.5.1 en HR 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1134, NJ 2016/450, rov. 4.4.2)

3.6.3 Ook als de wet of een duurovereenkomst wel voorziet in een regeling van de opzegging, kunnen, indien de wet en hetgeen tussen partijen is overeengekomen daarvoor ruimte laten, de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval op grond van art. 6:248 lid 1 BW meebrengen dat aan de opzegging nadere eisen gesteld worden.

3.6.4 Een beroep op een uit de wet of een overeenkomst voortvloeiende bevoegdheid om de overeenkomst op te zeggen kan op grond van art. 6:248 lid 2 BW onder omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn (vgl. HR 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1134, NJ 2016/450, rov. 4.4.2).

3.6.5 Opmerking verdient dat het hiervoor in 3.6.2 overwogene niet wegneemt dat het mogelijk is dat een voor onbepaalde tijd gesloten duurovereenkomst naar de bedoeling van partijen niet-opzegbaar is. De wederpartij van degene die zich op de niet-opzegbaarheid beroept, kan daartegen, overeenkomstig het hiervoor in 3.6.4 overwogene, onder omstandigheden een beroep doen op, kort gezegd, de art. 6:248 lid 2 BW en 6:258 BW. (Vgl. HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:660, NJ 2016/236, rov. 4.4)”

De cassatieklacht veronderstelt dus terecht dat ook wanneer een duurovereenkomst voorziet in een regeling van de opzegging, ook op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid aan de opzegging nadere eisen gesteld kunnen worden. Het oordeel van het hof dat de opzeggingsbepalingen alleszins redelijk zijn, moet echter aldus worden verstaan dat de overeenkomst geen aanvulling behoeft op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onvoldoende gemotiveerd, aldus de Hoge Raad.

Het cassatieberoep wordt verworpen.

email print