Selecteer een pagina

HR 19 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:413

Kan toewijzing van een vordering van een werknemersorganisatie (zoals FNV) jegens een werknemer tot nakoming van cao-verplichtingen alleen betrekking hebben op werknemers die daarop aanspraak kunnen en willen maken? De Hoge Raad beantwoordt deze vraag in dit arrest.

Achtergrond

Deze procedure gaat tussen FNV en een (onder)aannemingsbedrijf dat onder meer actief is in de pluimveeverwerkende industrie. Het aannemingsbedrijf neemt arbeidsintensief productiewerk aan op basis van overeenkomsten van aanneming van werk. Het betaalt zijn werknemers conform het minimumloon. FNV meent dat de relatie tussen het aannemingsbedrijf en een van zijn opdrachtgevers feitelijk als uitzending in de zin van art. 7:690 BW kwalificeert en dat daarmee de algemeen verbindend verklaarde cao voor uitzendkrachten van toepassing is. Dit zou de werknemers van het aannemingsbedrijf recht geven op een hoger loon. Subsidiair meent FNV dat, indien geen sprake is van een uitzendrelatie, het aannemingsbedrijf rechtstreeks onder de werkingssfeer van de cao voor de pluimveeverwerkende industrie valt, wat zijn werknemers eveneens recht zou geven op een hoger loon.

FNV heeft het aannemingsbedrijf hierop in rechte betrokken en nakoming van de cao’s gevorderd. De kantonrechter heeft alle vorderingen van FNV afgewezen. Het hof heeft in hoger beroep geoordeeld dat sprake is van aanneming van werk en dus niet van uitzending. Het hof heeft vervolgens – anders dan de kantonrechter – geoordeeld dat het aannemingsbedrijf valt onder de werkingssfeer van de cao voor de pluimveeverwerkende industrie, voor zover die althans algemeen verbindend is verklaard. Het hof heeft het aannemingsbedrijf op die grond veroordeeld om haar (ex)werknemers met terugwerkende kracht conform de cao voor de pluimveeverwerkende industrie te betalen, onder toepassing van de wettelijke verhoging van art. 7:625 BW (gematigd tot 25%) en met overlegging van salarisspecificaties op straffe van een dwangsom. Daartegen komt het aannemingsbedrijf in cassatie op.

Cassatie

Volgens het cassatiemiddel heeft het hof miskend dat een vordering zoals door FNV ingesteld alleen betrekking kan hebben op haar (ex-)werknemers die daarop aanspraak kunnen maken en wensen te maken. Het middel wijst op de arresten CNV/Pennwalt en FNV/Inretail, waaruit – zo stelt het middel – zou volgen dat een zodanige clausulering tot uitdrukking moet worden gebracht in het dictum van de uitspraak, telkens wanneer daarin een werkgever op vordering van de vakbond wordt veroordeeld tot het verrichten van een prestatie jegens zijn werknemers.

De Hoge Raad stelt voorop dat een werknemersorganisatie die partij is bij een cao (zoals FNV), als contractspartij uit eigen hoofde nakoming kan vorderen van in die cao opgenomen verplichtingen van een werkgever. Voor zover een cao algemeen verbindend is verklaard, geldt dit ook jegens een werkgever die geen partij is bij de cao. Voor het kunnen instellen van zo’n vordering door een werknemersorganisatie is niet vereist dat er werknemers zijn die zich hebben verzet of die bezwaar hebben gemaakt tegen de handelwijze van hun werkgever. Als contractspartij heeft de werknemersorganisatie immers een eigen belang bij een recht op nakoming. De Hoge Raad verwijst in dit verband naar zijn arresten FNV/Inretail (HR 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:980, besproken in CB 2018-108) en CNV/Pennwalt (HR 19 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2532).

De Hoge Raad overweegt – onder verwijzing naar deze arresten – dat de werkgever op vordering van een werknemersorganisatie (zoals FNV) slechts gehouden kan zijn tot het verrichten van een prestatie jegens zijn werknemers indien en voor zover deze werknemers in hun verhouding tot de werkgever op deze prestatie recht hebben en daarop dus aanspraak kunnen maken. Dit moet in het dictum van de uitspraak tot uitdrukking worden gebracht, indien daarin de werkgever wordt veroordeeld tot het verrichten van een prestatie jegens zijn werknemers. In onderhavige zaak heeft het hof dat voldoende gedaan, aldus de Hoge Raad.

De Hoge Raad gaat vervolgens in op het betoog – en de overweging van de Hoge Raad in CNV/Pennwalt waaraan dit betoog is ontleend – dat toewijzing van de nakomingsvordering alleen betrekking kan hebben op de nakoming van een verplichting van de werkgever jegens werknemers die daarop aanspraak wensen te maken. De Hoge Raad oordeelt dat – anders dan het cassatiemiddel tot uitgangspunt neemt – (rov. 3.6 van) het arrest CNV/Pennwalt niet inhoudt dat iedere toewijzing van een vordering van een werknemersorganisatie tot nakoming van cao-verplichtingen van een werkgever jegens werknemers, afhankelijk dient te worden gesteld van de wens van de werknemers tot nakoming van de gevorderde prestatie. Dat zou zich volgens de Hoge Raad niet verdragen met dat wat hij voorop heeft gesteld (zie hiervoor) en het daaraan ten grondslag liggende eigen belang van de werknemersorganisatie bij naleving van de cao door de werkgever.

Uit de verwijzing naar het arrest CNV/Pennwalt in het arrest FNV/Inretail, dient niet iets anders te worden afgeleid dan hetgeen hiervoor is overwogen, aldus de Hoge Raad. Met die verwijzing is volgens de Hoge Raad beoogd te onderstrepen dat, anders dan het hof in die zaak uit het arrest CNV/Pennwalt had afgeleid, voor toewijzing van de vordering van de werknemersorganisatie niet is vereist dat er werknemers zijn die zich hebben verzet of die bezwaar hebben gemaakt tegen de handelwijze van de werkgever. Het arrest FNV/Inretail strekt niet ertoe de hiervoor bedoelde reikwijdte van het arrest CNV/Pennwalt te verruimen.

Daarmee kan de klacht niet tot cassatie leiden. Een andere klacht slaagt wel, namelijk de klacht dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. De toewijzing van het hof ging verder dan wat FNV in dit verband heeft gevorderd. Op die grond wordt de uitspraak van het hof vernietigd en doet de Hoge Raad de zaak zelf af. De afdoening is conform de conclusie van A-G Hartlief.

Share This