HR 13 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:304 (Eiser/Datawell B.V.)

De matigingsbevoegdheid van art. 7:625 BW staat niet eraan in de weg dat een werknemer in een afzonderlijke procedure wettelijke rente vordert over de in een eerdere procedure toegewezen wettelijke verhoging van het (achterstallige) loon. Deze afzonderlijke vordering kan, afhankelijk van de omstandigheden, stranden op misbruik van procesrecht, afstand van recht of rechtsverwerking.

Art. 7:625 BW geeft de werknemer aanspraak op een wettelijke verhoging van zijn loon, indien het loon niet tijdig is voldaan. De wettelijke verhoging mag maximaal 50% van het verschuldigde loon bedragen. De rechter kan de verhoging bovendien beperken tot zodanig bedrag als hem onder de gegeven omstandigheden billijk voorkomt (lid 1, laatste zin).

Ten aanzien van de voorloper van deze bepaling, art. 1638q OBW, heeft de Hoge Raad in 1979 geoordeeld dat zij niet in de weg staat aan een vordering tot betaling van wettelijke rente over deze wettelijke verhoging van het loon. Ter motivering van dit oordeel wees de Hoge Raad op de strekking van de wettelijke verhoging. Deze verhoging is namelijk bedoeld als prikkel om het loon tijdig uit te betalen. De wettelijke rente is daarentegen een vorm van vertragingsschade over een geldsom waarop de schuldeiser recht heeft. De Hoge Raad merkte hierbij wel op dat de matigingsbevoegdheid aan de rechter voldoende mogelijkheid biedt om een onredelijke cumulatie van de wettelijke verhoging met wettelijke rente te voorkomen. Zie HR 5 januari 1979, NJ 1979, 207.

In de zaak tussen eiser en zijn ex-werkgever Datawell heeft eiser, nadat hij in een eerdere procedure met succes aanspraak maakte op achterstallig loon én de wettelijke verhoging van 50% daarvan, in een afzonderlijke procedure aanspraak gemaakt op wettelijke rente over het bedrag van de wettelijke verhoging. Deze wettelijke rente-component was geen onderdeel geweest van de eerdere procedure. Daarin was slechts wettelijke rente gevorderd en toegewezen over het achterstallige loon sec.

In de onderhavige procedure gaat het dus alleen nog maar om de wettelijke rente over de wettelijke verhoging. Dit is voor het hof aanleiding om eiser niet-ontvankelijk te verklaren. Het hof oordeelt dat deze nieuwe vordering zich niet verdraagt met de strekking van de matigingsbevoegdheid van art. 7:625 lid 1, slotzin BW. Het oordeel van het hof komt erop neer dat eiser de wettelijke rente direct had moeten vorderen in de eerdere procedure, opdat de rechter bij de eventuele toepassing van de matigingsbevoegdheid ook rekening kon houden met het bedrag aan wettelijke rente over de wettelijke verhoging.

A-G Vlas onderschrijft de zienswijze van het hof:

“Teneinde een dergelijke onredelijke cumulatie te voorkomen en de rechter ook effectief in de gelegenheid te stellen de wettelijke verhoging te beperken, dienen deze vorderingen naar mijn mening derhalve gelijktijdig in dezelfde procedure te worden ingesteld, op straffe van verval van het recht om in een latere procedure alsnog aanspraak te maken op de wettelijke rente over de toegewezen wettelijke verhoging.”

De Hoge Raad oordeelt echter anders. De Hoge Raad brengt zijn uitspraak uit 1979 in herinnering en overweegt eerst dat een vordering tot betaling van de wettelijke verhoging gecombineerd kan worden met een vordering tot betaling van wettelijke rente over het bedrag van de verhoging (rov. 3.4.3). Vervolgens merkt de Hoge Raad op dat een vordering tot vergoeding van wettelijke rente niet noodzakelijkerwijs tegelijk behoeft te worden ingesteld met de vordering tot betaling van de hoofdsom en dat dit niet anders is indien het rente betreft over een verhoging ex art. 7:625 BW (rov. 3.4.4).

De Hoge Raad voegt hieraan toe dat wanneer, zoals in dit geval, de wettelijke rente over de verhoging in een afzonderlijke procedure wordt gevorderd, de rechter onder bijzondere omstandigheden tot de conclusie kan komen dat sprake is van misbruik van procesrecht. Uiteraard past de rechter hierbij grote terughoudendheid (vgl. HR 6 april 2012, CB 2012-73). De Hoge Raad wijst verder op de mogelijkheid van het aannemen van afstand van recht of rechtsverwerking. Zie rov. 3.4.4.

Tot slot merkt de Hoge Raad op dat de rechter al in een eerder stadium de mogelijke verschuldigdheid van wettelijke rente kan verdisconteren in de matigingsbevoegdheid:

“3.4.5 (…) Indien de wettelijke rente wordt gevorderd nadat de verhoging reeds is toegewezen, ontbreekt de hiervoor in 3.4.3 aangeduide mogelijkheid om door matiging een onredelijke cumulatie van de wettelijke verhoging met de wettelijke rente te voorkomen. De matigingsbevoegdheid van art. 7:625 lid 1 BW biedt echter voldoende mogelijkheid om een verhoging in voorkomend geval slechts toe te wijzen onder de voorwaarde dat de werknemer niet alsnog aanspraak maakt op vergoeding van wettelijke rente over de periode tot aan de beslissing over de verhoging.”

Het hof heeft eiser dus ten onrechte niet ontvankelijk verklaard. De verwijzingsrechter zal de vordering tot betaling van wettelijke rente over de verhoging alsnog moeten beoordelen. Gelet op de door de Hoge Raad geschetste kaders zal het debat na verwijzing zich richten op de vraag deze afzonderlijke rente-vordering misbruik van procesrecht, afstand van recht en/of rechtsverwerking oplevert.

Share This