Https://cassatieblog.nl maakt gebruik van cookies voor webanalyse en social media sharing. Google Analytics analyseert met behulp van cookies hoe de website wordt gebruikt. Daarnaast toont Https://cassatieblog.nl knoppen om informatie te delen op sociale media. Deze knoppen worden enkel weergegeven als u toestemming geeft cookies te plaatsen op uw computer. Meer informatie vindt u in onze Privacyverklaring.
weigeren accepteren

Toepassing van artikel 6:215 BW op een gemengde overeenkomst met huurelementen

CB 2017-54 Geplaatst op 16 maart 2017 door

HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:405

Artikel 6:215 BW ziet op een geval dat een gemengde overeenkomst niet in twee of meer van elkaar onafhankelijke overeenkomsten kan worden gesplitst. Voor zover bepalingen, geldend voor de onderscheiden soorten overeenkomsten niet met elkaar te verenigen zijn, dient door uitleg van de gemengde overeenkomst te worden beoordeeld welke bepalingen in het concrete geval dienen te prevaleren. In een voorkomend geval kan dit ertoe leiden dat bepalingen van dwingend recht buiten toepassing moeten worden gelaten.

Eiseres tot cassatie, een cateringbedrijf, heeft deelgenomen aan een in 2002 door de Staat uitgeschreven aanbestedingsprocedure terzake een cateringcontract. Dat contract had betrekking op de exploitatie van een restaurant in een door de Staat in eigendom behorend kasteel en op de verzorging van banquetingfaciliteiten. De aanbestedingsprocedure resulteerde in gunning van de opdracht aan eiseres tot cassatie. Na afloop van de overeengekomen duur van de opdracht (drie jaar) is het cateringcontract overeenkomstig de daartoe door partijen overeengekomen mogelijkheid een aantal malen verlengd.

Nadien heeft de Staat de opdracht opnieuw aanbesteed. Eiseres tot cassatie heeft opnieuw aan de aanbestedingsprocedure deelgenomen. Ditmaal scoorde echter een andere inschrijver beter en aan die inschrijver is de opdracht dan ook gegund. Eiseres tot cassatie heeft vervolgens verschillende procedures tegen de Staat aanhangig gemaakt.

In de onderhavige procedure stelde zij zich op het standpunt dat tussen haar en de Staat geen overeenkomst van opdracht, maar een huurovereenkomst tot stand is gekomen terzake bedrijfsruimte als bedoeld in art. 7:290 e.v. BW. Om die reden zou eiseres huurbescherming toekomen en zou zij de in gebruik gegeven ruimten ook niet behoeven te ontruimen.  Zij vorderde onder meer een aantal daartoe strekkende verklaringen voor recht. In beide feitelijke instanties zijn deze vorderingen afgewezen.

In cassatie stond het bepaalde in art. 6:215 BW centraal. Die bepaling luidt:

“Voldoet een overeenkomst aan de omschrijving van twee of meer door de wet geregelde bijzondere soorten van overeenkomsten, dan zijn de voor elk van die soorten gegeven bepalingen naast elkaar op de overeenkomst van toepassing, behoudens voor zover deze bepalingen niet wel verenigbaar zijn of de strekking daarvan in verband met de aard van de overeenkomst zich tegen toepassing verzet.”

Uitgangspunt van art. 6:215 BW is derhalve dat een gemengde overeenkomst zoveel mogelijk wordt beheerst door alle op die overeenkomst toepasselijke wettelijke bepalingen, de zgn. combinatie- of cumulatieregel. Is een dergelijke combinatie niet mogelijk dan zal een keuze moeten worden gemaakt voor de op één van de verschillende typen overeenkomsten toepasselijke regels. Vaak zullen dat de regels zijn met een dwingend, één van de partijen beschermend karakter. Dat leidt tot zgn. absorptie van de overige regels.

In dit verband is van belang dat het vóór 1 augustus 2003 geldende huurrecht een specifieke regeling kende voor een overeenkomst die zowel kenmerken bevat van huur en verhuur van bedrijfsruimte, als van een ander type overeenkomst. Cumulatie van rechtsregels stond voorop. In geval van strijd tussen de toepasselijke rechtsregels ging toepasselijkheid van het bedrijfsruimterecht echter voor. Zie artikel 7A:1624 (oud) BW. Deze regel is in het nieuwe huurrecht niet teruggekeerd, zodat de algemene regeling van artikel 6:215 BW tot uitgangspunt strekt.

In de onderhavige zaak heeft het hof tot uitgangspunt genomen (i) dat de overeenkomst tussen het eiseres tot cassatie en de Staat zowel elementen van een overeenkomst van opdracht als van een huurovereenkomst in de zin van artikel 7:290 e.v. bevat. Vervolgens heeft het hof zich afgevraagd (ii) of de overeenkomst zich laat splitsen in twee afzonderlijke overeenkomsten. Die vraag heeft het hof ontkennend beantwoord. Ten slotte heeft het hof onderzocht (iii) of in casu de vuistregel van artikel 6:215 BW dient te worden toegepast – het naast elkaar toepassen derhalve van de verschillende op opdracht enerzijds en huur anderzijds toepasselijke regels – of dat er wegens de strekking van die regels in verband met de aard van de overeenkomst aanleiding is om één van die regimes buiten toepassing te laten. Het hof heeft die laatste vraag bevestigend beantwoord. Daartoe heeft het hof onderzocht welk aspect van de door hem als gemengde overeenkomst aangemerkte contractuele relatie overheerst.

Eiseres tot cassatie betoogde dat het hof stap (ii) – de vraag naar de splitsing – niet had mogen zetten. In het kader van artikel 6:215 BW is het al dan niet splitsbaar zijn van de overeenkomst niet van belang en staat cumulatie van de verschillende toepasselijke rechtsregels voorop, zo betoogde zij. Ook de door het hof gezette stap (iii) was volgens eiseres tot cassatie onjuist. Het onderzoek naar het overheersende element in de overeenkomst zou strijdig zijn met beschermingsgedachte die ook het nieuwe huurrecht beheerst.

Dit betoog wordt door de Hoge Raad verworpen.

De Hoge Raad stelt daarbij onder meer voorop, dat artikel 6:215 BW ziet op een geval dat een gemengde overeenkomst niet in twee of meer van elkaar onafhankelijke overeenkomsten kan worden gesplitst (rov. 3.3.2). Voorts stelt de Hoge Raad voorop dat voor zover bepalingen, geldend voor de onderscheiden soorten overeenkomsten niet met elkaar te verenigen zijn, door uitleg van de gemengde overeenkomst dient te worden beoordeeld welke bepalingen in het concrete geval dienen te prevaleren. Daarbij wijst de Hoge Raad erop dat de wetgever onder ogen heeft gezien dat dit ertoe kan leiden dat bepalingen van dwingend recht buiten toepassing moeten worden gelaten (rov. 3.3.2) en, kort gezegd, dat dit evenzeer is gebeurd bij de wijziging van het huurrecht (rov. 3.3.3 en 3.3.4). Tegen die achtergrond gaat het oordeel van het hof niet uit van een onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd, zo concludeert de Hoge Raad (rov. 3.3.5).

De Staat had voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld, waarin de vraag naar de kwalificatie van de overeenkomst door het hof aan de orde werd gesteld vanuit het perspectief van het Timeshare-arrest (HR 11 februari 2011 ECLI:NL:HR:2011:BO9673 NJ 2012/73) en de daarin geformuleerde maatstaf. Aan die vraag kwam de Hoge Raad, nu het principale beroep werd verworpen, logischerwijze niet toe.

De Staat werd in cassatie bijgestaan door de auteur.

email print