HR 20 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:395

(1) Nu niet vaststaat wat de gewoonte ter plaatse is, heeft het hof met inachtneming van het huidige goederenrechtelijke systeem en de daadwerkelijke uitoefening van het recht van de Dertiende Penning gedurende de afgelopen jaren kunnen oordelen dat deze eerst bij eigendomsovergang was verschuldigd. (2) Het is in het algemeen niet onrechtmatig om, ter vermijding van een niet gewenst gevolg van een rechtshandeling, een andere, al dan niet deels daarmee overeenstemmende rechtshandeling te verrichten, waaraan dat gevolg niet is verbonden.

Een “heerlijk” recht

Afgelopen vrijdag deed de Hoge Raad niet voor het eerst maar waarschijnlijk wel voor het laatst uitspraak over het recht van de Dertiende Penning, een uit de Middeleeuwen daterend zakelijk recht, dat met ingang van 1 januari 2015 is afgeschaft. Het recht verplichtte de kopers van grond in bepaalde streken van de provincie Utrecht (met name in de omgeving van Abcoude, Baambrugge, Vinkeveen en Kamerik) bij het “van hand wisselen” van de grond een dertiende deel van de grondwaarde (de Dertiende Penning) af te dragen aan de rechthebbenden, eertijds landheren, tegenwoordig de Staat en enkele particulieren. De Dertiende Penning berustte uitsluitend op gewoonte en was dus niet wettelijk vastgelegd. Op 1 januari 1985 is de Dertiende Penning, als zijnde “uit de tijd”, afgeschaft met een uitfaseringsperiode van 30 jaar, dus tot 1 januari 2015. Ter compensatie van de rechthebbenden werd de Penning in haar nadagen tot “Negende” verhoogd, namelijk tot 11% (zie de conclusie van A-G Wuisman, sub 2.2.1).

Een uitfaseringsperiode van 30 jaar lijkt wellicht kort voor een recht van 800 jaar oud, maar verweerders wilden daar niet op wachten. Zij kochten in 2009 twee percelen grond in Baambrugge voor een prijs van € 500.000,-. In de notariële akte lieten zij vastleggen dat de grond wel economisch, maar nog niet juridisch werd overgedragen. Dat laatste zou pas in 2015 gebeuren. Doel van deze constructie was, zo vermeldde de notariële akte, “voorkoming van de verschuldigdheid van het recht van de Dertiende Penning”. Eisers, rechthebbenden op de Dertiende Penning ter plaatse, zagen hiermee hun “heerlijk” recht op € 55.000,- al vóór het einde van de uitfaseringsperiode in rook opgaan.

In dit geding vorderen eisers betaling van de Dertiende Penning door verweerders. Primair stellen eisers dat de Dertiende Penning krachtens gewoonterecht al bij de koop en niet pas bij de levering verschuldigd was. Subsidiair betogen zij dat de door eisers gekozen constructie van koop met uitgestelde levering misbruik van recht oplevert. Het hof verwierp beide standpunten en de Hoge Raad verenigt zich hiermee, in navolging van A-G Wuisman.

Ontstaansmoment Dertiende Penning

Al in een eerder arrest over de Dertiende Penning uit 1994 had de Hoge Raad geoordeeld dat oude zakelijke rechten zoals de Dertiende Penning, hoewel zij moeten worden geëerbiedigd,[1] zich lenen voor “verdere ontwikkeling op grond van zich wijzigende maatschappelijke opvattingen” en dat, ingeval onzekerheid bestaat omtrent wat gewoonte is, aansluiting kan worden gezocht bij hetgeen “met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld met betrekking tot de daadwerkelijke uitoefening van het recht gedurende de meest recente periode” (HR 1 juli 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1414, NJ 1995/547).

Met toepassing van deze maatstaf (rov. 3.5.2) verenigt de Hoge Raad zich met ’s hofs oordeel dat de Dertiende Penning pas bij de levering was verschuldigd (rov. 3.5.3-3.5.4). Weliswaar zijn er aanwijzingen dat de Dertiende Penning historisch bezien al met de koop verschuldigd werd (het met de Dertiende Penning samenhangende “naastingsrecht” – het recht van de landheer om in de plaats van de koper te treden – gold namelijk ook al vóór de levering), maar bij gebreke van een (kenbare) vaststaande gewoonte ter plaatse heeft het hof mogen oordelen dat in het huidige goederenrechtelijke systeem “beter past” dat de Dertiende Penning pas bij de levering is verschuldigd. Het gaat hier immers, aldus het hof met instemming van de Hoge Raad, om een “zakelijke last”, die de grondeigenaar pas behoeft te dulden vanaf het moment dat hij eigenaar is. Voorts heeft het hof acht mogen slaan op het feit dat eisers de afgelopen jaren de Dertiende Penning (zelf) steeds pas na levering in rekening hebben gebracht. Hierbij acht de Hoge Raad van belang dat gesteld noch gebleken is dat dit gedrag slechts ziet op “incidentele afwijkingen” en niet overeenkomt met wat “al geruime tijd ter plaatse waar de percelen zijn gelegen, als regel de gang van zaken is bij de uitoefening van het recht van de dertiende penning” (rov. 3.5.3). Dat in de literatuur uiteenlopende opvattingen bestaan over het ontstaansmoment van het recht van de Dertiende Penning, noopte het hof niet tot een ander oordeel (rov. 3.5.4).

Koop met uitgestelde levering misbruik van recht?

Een koop met uitgestelde levering leidt dus tot ontwijking van de Dertiende Penning, maar is die constructie ook toelaatbaar? Eisers meenden van niet, omdat hiermee zou worden gehandeld in strijd met de “kenbare bedoeling van de wetgever” om het recht van de Dertiende Penning nog voor de duur van dertig jaren in stand te laten en de rechthebbenden “schadeloos te stellen” door voor de duur van die dertig jaren de omvang van het recht te verhogen naar 11%.

De Hoge Raad verwerpt dit beroep op misbruik van recht, in navolging van het hof:

“3.7.2 (…) Het is in het algemeen niet onrechtmatig om, ter vermijding van een niet gewenst gevolg van een rechtshandeling, een andere, al dan niet deels daarmee overeenstemmende rechtshandeling te verrichten, waaraan dat gevolg niet is verbonden. In bijzondere gevallen kan dat anders zijn.

Een dergelijk bijzonder geval doet zich hier niet voor, zoals het hof terecht heeft geoordeeld. De wetgever heeft het immers niet nodig gevonden een voorziening te treffen voor het geval de koper, teneinde de verschuldigdheid van de dertiende penning te ontgaan, bedingt dat de levering van de (juridische) eigendom eerst plaatsvindt na het tijdstip waarop het recht van de dertiende penning vervalt. Daarbij valt mede in aanmerking te nemen dat het recht van de dertiende penning aan de rechthebbende geen aanspraak geeft dat de grond waarop dat recht rust, op enig moment in eigendom wordt overgedragen.”

Dat laatste is een open deur, maar wel de kern van de zaak: contractanten behoeven zich bij de keuze van het moment waarop zij de eigendom van een perceel grond verwerven niet te laten leiden door (aflopende) aanspraken van derden op een gedeelte van de koopsom.

[1] Bij Wet van 16 mei 1829, Stb. 29, is bepaald dat onder het oude recht verkregen zakelijke rechten (zoals de Dertiende Penning) moeten worden geëerbiedigd.

Share This