Selecteer een pagina

HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1680 (Staat/Verweerder)

Indien in een geding voor de burgerlijke rechter de opgeëiste persoon aanvoert dat hij door of mede door toedoen van functionarissen van de verzoekende staat is gefolterd in verband met de zaak waarvoor zijn uitlevering wordt gevraagd, kan op de Staat, indien de desbetreffende stellingen van de opgeëiste persoon voldoende klemmend en aannemelijk zijn, de verplichting rusten nader onderzoek te doen naar de juistheid daarvan.

Verweerder in cassatie is een terreurverdachte om wiens uitlevering is verzocht door de Verenigde Staten. De Minister van Veiligheid en Justitie heeft deze uitlevering bij beschikking van 20 december 2012 (na toelaatbaarverklaring door de uitleveringsrechter) toegestaan. In de beschikking is vermeld dat niet aannemelijk is dat de VS betrokken zijn geweest bij folteringen van verweerder in Pakistan en dat voor nader onderzoek hiernaar (zoals door verweerder verzocht) onvoldoende aanleiding bestaat.

In dit kort geding vordert verweerder dat de Staat wordt verboden hem uit te leveren aan de VS. Daartoe stelt hij, kort samengevat, dat de Staat een nader onderzoek had moeten instellen naar de mogelijke betrokkenheid van de VS bij zijn foltering in Pakistan.

Het hof heeft de uitlevering onrechtmatig geoordeeld en verboden. Daartoe stelde het hof voorop dat volgens vaste jurisprudentie van de Strafkamer van de Hoge Raad een uitlevering zonder meer ontoelaatbaar moet worden verklaard indien komt vast te staan dat de opgeëiste persoon in verband met de zaak waarvoor zijn uitlevering wordt gevraagd, door functionarissen van de verzoekende partij is gefolterd. Onder verwijzing naar het oordeel van de Strafkamer in de uitleveringsprocedure van verweerder (HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW2489, NJ 2013/263) oordeelde het hof dat hetzelfde geldt indien die functionarissen niet zelf de opgeëiste persoon hebben gefolterd, maar de foltering wel hebben “uitgelokt of bewerkstelligd”.

Tegen deze achtergrond oordeelde het hof dat onder de gegeven omstandigheden op de Staat een onderzoeksplicht rustte naar mogelijke betrokkenheid van de VS bij de foltering van verweerder in Pakistan, kort gezegd omdat volgens het hof “bepaald niet ondenkbaar” was dat de VS aan de Pakistaanse autoriteiten hadden verzocht om verweerder aan te houden, terwijl zij wisten of hadden moeten weten dat diens foltering het “vrijwel onvermijdelijke gevolg” van die aanhouding zou zijn.

In cassatie klaagt de Staat onder meer dat voor het “uitlokken of bewerkstelligen” van foltering in de zin van de door het hof aangehaalde jurisprudentie van de Strafkamer van de Hoge Raad is vereist (i) dat functionarissen van de verzoekende staat actief betrokken zijn bij de foltering en (ii) dat zij de foltering van de opgeëiste persoon hebben beoogd, althans (iii) dat het aanhoudingsverzoek is gedaan terwijl bekend was of moest zijn dat (specifiek) de opgeëiste persoon in Pakistan zou worden gefolterd en (iv) dat de foltering verband houdt met de zaak waarvoor zijn uitlevering is of zal worden gevraagd.

De Hoge Raad gaat niet afzonderlijk in op deze klacht (waarover nader de conclusie van A-G Langemeijer, sub 3.1 e.v.), maar laat ’s hofs oordeel in stand. Daartoe stelt hij in rov. 3.4.2 voorop dat de taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de minister (zoals neergelegd in de Uitleveringswet) meebrengt dat de opgeëiste persoon in een civiele (kortgeding)procedure de aspecten aan de orde kan stellen die ingevolge die taakverdeling bij de toelaatbaarverklaring van de uitlevering door de uitleveringsrechter nog niet aan de orde zijn gekomen. Gaat het om een beweerde schending van fundamentele rechten (waarover in beginsel niet de uitleveringsrechter, maar de minister oordeelt), dan is de burgerlijke rechter tot een volledige toetsing daarvan gehouden (rov. 3.4.3). Gaat het om een beweerd geval van foltering door of mede door toedoen van functionarissen van de verzoekende staat (waarover de uitleveringsrechter wel oordeelt; rov. 3.4.4), dan kan in civilibus voorbij worden gegaan aan een beroep van de opgeëiste persoon op feiten, omstandigheden of bewijsmateriaal waarover de uitleveringsrechter reeds heeft geoordeeld, indien daaraan in civilibus niet (ook) andere feiten, omstandigheden of bewijsmateriaal ten grondslag worden gelegd (rov. 3.4.5).

Conform de door het hof aangehaalde vaste jurisprudentie van de Strafkamer oordeelt de Hoge Raad dat de uitlevering “zonder meer onrechtmatig” is en door de burgerlijke rechter verboden moet worden, indien moet worden aangenomen dat de opgeëiste persoon door of mede door toedoen van functionarissen van de verzoekende staat is gefolterd in verband met de zaak waarvoor de uitlevering wordt gevraagd (rov. 3.4.6). Wel dient de opgeëiste persoon die hierop in civilibus een beroep doet, zijn desbetreffende stellingen te specificeren en zoveel mogelijk toe te lichten. Indien die stellingen “voldoende klemmend en aannemelijk zijn”, aldus de Hoge Raad, kan het absolute karakter van het folterverbod in samenhang met de in de regel bestaande praktische onmogelijkheid voor de opgeëiste persoon om zulke stellingen te bewijzen of aannemelijk te maken, meebrengen dat op de Staat de verplichting rust nader onderzoek te doen naar de juistheid daarvan (rov. 3.4.7).

Tegen deze achtergrond wordt ’s hofs oordeel, als feitelijk en niet onbegrijpelijk, in stand gelaten (rov. 3.5.1-3.5.3). In dit verband acht de Hoge Raad van belang dat verweerder een tweetal stellingen, die hij aan zijn beroep op foltering door of mede door toedoen van Amerikaanse functionarissen ten grondslag had gelegd, nog niet naar voren had gebracht in de uitleveringsprocedure (rov. 3.5.3). Aldus doet zich hier de door de Hoge Raad in rov. 3.4.5 (slot) genoemde situatie voor dat in de civiele procedure op grond van nieuwe omstandigheden anders moet worden geoordeeld dan in de uitleveringsprocedure.

De Staat is in cassatie bijgestaan door Hans van Wijk, Karlijn Teuben en Gijsbrecht Nieuwland, en in feitelijke instanties door André ten Broeke.

Share This