HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3609

Bij beantwoording van de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt in een (arbeids)geschil met een internationale organisatie is van belang of de rechtzoekende over redelijke alternatieve middelen beschikt om de door het EVRM aan hem toegekende rechten effectief te kunnen beschermen. Het komt erop aan of, gelet op die alternatieven, het wezen van iemands recht op toegang tot de rechter wordt aangetast. Het beroep op immuniteit van jurisdictie kan niet afstuiten op de enkele grond dat de alternatieve beroepsinstantie (beweerdelijk) het Unierecht onjuist heeft toegepast.

Feiten

De European Space Agency (hierna: ESA), een internationale, intergouvernementele organisatie met rechtspersoonlijkheid, is in 1975 bij het ESA-Verdrag opgericht. Op grond van dit verdrag geniet ESA immuniteit van jurisdictie en executie. Gelet op deze immuniteit worden arbeidsgeschillen tussen ESA en haar werknemers – ingevolge het ESA-Verdrag – op grond van art. 33.1 van de arbeidsvoorwaarden van ESA, de ESA Staff Regulations, Rules and Instructions (hierna: Staff Regulations) beslecht door de “Appeals Board”, een beroepsinstantie die voorziet in een interne rechtsgang.

De European Space Research and Technology Centre (hierna: ESTEC) in Noordwijk is een van de standplaatsen van de ESA. Eisers in cassatie zijn (in totaal honderd en drie) personeelsleden van ESA en werkzaam bij locatie ESTEC (hierna: de werknemers). Omdat de werknemers niet de Nederlandse nationaliteit bezitten, maar op het moment van indiensttreding wel langer dan één jaar (respectievelijk drie jaar voor hen die vóór 1 januari 1996 bij ESA in dienst traden) in Nederland woonachtig waren, worden zij op grond van de Staff Regulations aangemerkt als lokaal geworven personeel. Gevolg hiervan is dat zij (in tegenstelling tot niet-lokaal geworven personeel) geen ontheemdingstoelage ontvangen. De werknemers menen evenwel dat zij aanspraak maken op de ontheemdingstoelage, omdat zij dezelfde persoonlijke en financiële nadelen van een dienstbetrekking buiten hun land van herkomst ervaren als de werknemers die de ontheemdingstoelage wel ontvangen. Het ingevolge de Staff Regulations gemaakte onderscheid is volgens de werknemers discriminatoir en als zodanig in strijd met het Unierecht, waarbij zij een beroep doen op art. 17, 18 en 39 EG-Verdrag en het 12e Protocol bij het EVRM.

Interne en externe rechtsgang

De werknemers menen (in het licht van voornoemde bepalingen van het Unierecht) recht te hebben op de  ontheemdingstoelage en doorlopen, om dat recht geldend te maken, allereerst de interne rechtsgang: zij initiëren een petitie bij de Directeur-Generaal en stellen, na een afwijzende reactie daarop, beroep in bij de Appeals Board. De Appeals Board verklaart het beroep echter ongegrond.

Daar de interne rechtsgang niet het gewenst resultaat had geboden, leggen de werknemers het geschil via de externe rechtsgang voor aan de Nederlandse rechter. De ESA vordert echter voor alle weren dat de Nederlandse rechter zich onbevoegd dient te verklaren om kennis te nemen van de vordering, omdat ESA op grond van het ESA-Verdrag immuniteit van jurisdictie geniet. De werknemers voeren daartegenover aan dat een dergelijke immuniteit van jurisdictie in strijd is met art. 6 EVRM, welk artikel toegang tot een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang waarborgt.

De rechtbank heeft zich, overeenkomstig het standpunt van ESA, onbevoegd verklaard van de vordering kennis te nemen, vanwege het ontbreken van rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en geoordeeld dat het honoreren van het beroep op de immuniteit van jurisdictie door de Nederlandse rechter niet in strijd is met art. 6 EVRM. Het hof heeft daartoe – kort gezegd – overwogen dat het recht op toegang tot de rechter (art. 6 EVRM) niet absoluut is en beperkt kan worden indien de kern van het recht niet wordt aangetast, de beperking een legitiem doel dient en proportioneel is, waarbij het hof verwijst naar vaste EHRM-rechtspraak (rov. 2.2). Daar de Appeals Board een inhoudelijk oordeel heeft gegeven over de vorderingen van de werknemers, hebben zij een rechtsgang benut die voldoet aan de eisen van art. 6 EVRM. Het enkele feit dat de Appeals Board het EU-recht niet juist zou hebben toegepast, is daarbij onvoldoende voor het oordeel dat art. 6 EVRM is de kern is aangetast, aldus het hof (rov. 7.2). Eisers gaan tegen het oordeel van het hof in cassatie.

Cassatie: immuniteit van jurisdictie internationale organisatie in strijd met toegang tot de rechter (art. 6 EVRM)?

In cassatie voeren de werknemers aan dat het hof een onjuiste maatstaf heeft aangelegd om te bepalen of met de eerbiediging van de immuniteit van ESA het recht op toegang tot de rechter (art. 6 EVRM) wordt aangetast.

De Hoge Raad overweegt echter dat het hof de juiste maatstaf heeft aangelegd en deze ook heeft toegepast bij zijn beoordeling (rov. 3.3.2 en 3.3.3). De maatstaf komt voort uit vaste EHRM-rechtspraak, waaruit blijkt dat bij de beantwoording van de vraag of toekenning van immuniteit van jurisdictie aan een internationale organisatie in het kader van een geding bij de nationale rechter geoorloofd is, van belang is of de rechtzoekende beschikt over redelijke alternatieve middelen om de door het EVRM aan hem toegekende rechten effectief te kunnen beschermen. In dat verband komt het erop aan of, gelet op de alternatieve middelen, de immuniteit van jurisdictie het wezen van iemands recht op toegang tot de rechter aantast. Zie onder meer: EHRM 29 januari 2015, nr. 415/07, rov. 62-64 (Klausecker/Duitsland).

Daarnaast klagen de werknemers dat het hof ten onrechte is voorbijgegaan aan het betoog dat de Appeals Board niet bevoegd was om de Staff Regulations aangaande de ontheemdingstoelage buiten toepassing te laten wegens strijd van de regeling met een hogere norm. Hierdoor voldeed de rechtsgang ten overstaan van de Appeals Board niet aan art. 6 EVRM, aldus de werknemers. De Hoge Raad oordeelt ook deze klacht ongegrond (rov. 3.4.3), nu de Appeals Board de stellingen van eisers (ongeacht of de Appeals Board daartoe bevoegd was) inhoudelijk heeft beoordeeld en tot het oordeel is gekomen dat het besluit van ESA en de onderliggende Staf Regulations verenigbaar zijn met die hogere normen (c.q. het Unierecht).

De Hoge Raad oordeelt tot slot dat het beroep van ESA op de immuniteit van jurisdictie niet kan afstuiten op de enkele grond (zoals door eisers aangevoerd) dat de Appeals Board (beweerdelijk) het Unierecht onjuist heeft toegepast (rov. 3.5.3). In dat verband zoekt de Hoge Raad aansluiting bij het oordeel van het EHRM in de zaak EHRM 11 juni 2013, nr. 65542/12, NJ 2014/263, rov. 158 (Stichting Mothers of Srebrenica/Nederland). In deze zaak werd geoordeeld dat een civielrechtelijke rechtsvordering het beroep op immuniteit van jurisdictie niet terzijde kan schuiven op de enkele grond dat die rechtsvordering berust op een bijzonder ernstige schending van een norm van internationaal recht, of zelfs een norm van ius cogens. Uit onderhavige uitspraak blijkt dat hetzelfde geldt wanneer het Unierecht (beweerdelijk) onjuist is toegepast. Ook in dat geval zijn aanvullende omstandigheden nodig om een beroep op art. 6 EVRM te kunnen doen slagen.

Share This