HR 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:509, ECLI:NL:HR:2014:510, ECLI:NL:HR:2014:511

Een Advocaat-Generaal geeft geen blijk van ‘onbehoorlijk gedrag’ in de zin van art. 13f, eerste lid, Wet RO wanneer hij een opiniërend artikel schrijft waaraan geen verder reikende strekking toekomt dan als tot debat prikkelende uiting, die bovendien onvoldoende verband houdt met de merites van een concreet geschil waarbij de klagers betrokken zijn of kunnen zijn. Onder die omstandigheden wordt aan het gezag van of het vertrouwen in de rechtspraak geen afbreuk gedaan en is de vrees van klagers voor een negatieve invloed van de uiting op mogelijke procedures waarin zij betrokken zijn, niet gerechtvaardigd.

Inleiding

Al eerder is op Cassatieblog geschreven over de rol van de Hoge Raad als instantie die klachten behandelt over gedragingen van rechterlijke ambtenaren (zie CB 2013-44). De betreffende regeling is neergelegd in art. 13a Wet RO en heeft betrekking op de behandeling van klachten over gedragingen van rechterlijke ambtenaren door de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft, net als een jaar geleden, uitspraak gedaan in drie klachtprocedures, ditmaal gericht tegen de handelwijze van één van de leden van het Parket bij de Hoge Raad. Elke klacht hield verband met de publicatie van een door deze A-G op persoonlijke titel uitgebrachte column in het Nederlands Juristenblad (NJB). Volgens de klachten was sprake van ‘onbehoorlijk gedrag’ in de zin van art. 13f, eerste lid Wet RO.

De klachtprocedure bij de Procureur-Generaal

De Procureur-Generaal heeft, conform de interne klachtenregeling van het Parket, een klachtadviescommissie ingesteld. Deze commissie heeft geadviseerd de klachten ontvankelijk en gegrond te verklaren, daartoe overwegend:

“De desbetreffende uitlatingen van de betrokkene worden door de commissie aangemerkt als onwenselijk. De uitlatingen houden verband met zaken die nog aanhangig zijn bij de Hoge Raad en bevatten een subjectieve mening over feitelijke- en rechtsvragen welke in die en mogelijk in een later stadium nog bij de Hoge Raad dienende zaken aan de orde kunnen zijn. Gelet op de positie van de betrokkene bij de Hoge Raad – ook indien hij niet is betrokken bij de behandeling van die zaken -, kunnen deze uitlatingen derhalve voor de klagers een gerechtvaardigde reden vormen te twijfelen aan de onpartijdigheid van de behandeling van hun zaken bij de Hoge Raad als vereist in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het vertrouwen in de Rechtspraak schaden, als bedoeld In art. 7 van de Gedragscode Rechtspraak, welk artikel inhoudt dat medewerkers van de Rechtspraak zich realiseren dat privégedrag en het publiekelijk uiten van privémeningen het vertrouwen in de Rechtspraak kunnen schaden.”

De commissie was daarom van oordeel dat betrokkene zich had moeten onthouden van opiniërend commentaar op deze kwestie zolang er zaken bij de Hoge Raad aanhangig waren die met de kwestie verband houden.

Art. 11.1 van de klachtenregeling van het parket bepaalt dat de P-G de klager en de betrokkene schriftelijk en gemotiveerd in kennis stelt van de bevindingen van het onderzoek naar de klacht, zijn oordeel daarover alsmede van de eventuele conclusies die hij daaraan verbindt. Daarbij wordt vermeld dat de klager op grond van art. 13a van de Wet op de rechterlijke organisatie de P-G bij de Hoge Raad schriftelijk kan verzoeken een vordering bij de Hoge Raad in te stellen tot het doen van een onderzoek naar de gedraging waarop de klacht betrekking heeft. Een dergelijk verzoek is in casu door drie klagers gedaan.

Klagers hebben de P-G verzocht om een vordering als bedoeld in art. 13a, eerste lid Wet RO in te stellen. In hun klachten is uiteengezet dat de column, afkomstig van de A-G als gezaghebbend jurist, voor klagers een negatieve invloed zal hebben in de aanhangige of nog te voeren procedures voor de Nederlandse rechter met betrekking tot het faillissement van Yukos Oil. Klagers zijn betrokken bij in Nederland aanhangige procedures met betrekking tot dit faillissement. Zij stellen dat hun vertrouwen dat sprake zal zijn van een eerlijke en onafhankelijke beoordeling in die procedures door onpartijdige rechters door de publicatie is geschaad. De handelwijze van de A-G zou strijd opleveren met art. 7 van de Gedragscode Rechtspraak en art. 2.5.4 van de NVvR-rechterscode. Bovendien zou sprake zijn van onbehoorlijk gedrag in de zin van art. 13f Wet RO. De P-G heeft gevorderd dat de Hoge Raad een onderzoek zou instellen naar de gedraging van de A-G en zijn oordeel uitspreekt over die gedraging.

Beoordeling klachten door de Hoge Raad

De Hoge Raad onderzoekt ten eerste of de klachten ontvankelijk zijn en of hij bevoegd is de klachten te onderzoeken. Voor ontvankelijkheid dient op grond van art. 13a, eerste lid Wet RO te worden beoordeeld of de klacht betrekking heeft op de wijze waarop de beklaagde zich “in de uitoefening van zijn functie” jegens de klager heeft gedragen. Deze woorden moeten volgens de Hoge Raad ruim worden opgevat, nu in de onderhavige gevallen de gewraakte gedraging moeilijk kan worden los gezien van zijn functie als A-G. De klachten vallen dus binnen het bereik van art. 13a, eerste lid Wet RO en de Hoge Raad acht zich bevoegd de klachten te onderzoeken.

In zijn beoordeling van de klachten overweegt de Hoge Raad dat ook aan rechterlijke ambtenaren de vrijheid toekomt om opiniërende uitlatingen te doen omtrent door hem relevant geachte maatschappelijke verschijnselen. Deze vrijheid is echter niet onbeperkt. Art. 10, tweede lid, EVRM beperkt die vrijheid, bijvoorbeeld indien dit noodzakelijk is om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.

Van belang is dat de in het NJB gedane uitlatingen volgens de Hoge Raad geen voorwerp vormen van aanhangige of nog te voeren procedures in Nederland. In dat verband overweegt de Hoge Raad (rov. 6.4):

“De omstandigheid dat [betrokkene], die zijn functie als advocaat-generaal uitsluitend of in hoofdzaak uitoefent in fiscale zaken, als gezaghebbend jurist publiekelijk zijn mening geeft over of naar aanleiding van feitelijke of juridische kwesties die in enige procedure een rol (kunnen) spelen, betekent in zijn algemeenheid niet dat redelijkerwijs moet worden getwijfeld aan een eerlijke en onpartijdige beoordeling door de onafhankelijke rechter die moet beslissen over de merites van de hem voorgelegde zaak waarin die kwesties aan de orde (kunnen) zijn. Daarbij geldt in het onderhavige geval dat het gaat om de gestelde invloed van diens mening op de uitkomst van een geschil in civiele procedures, waarbij moet worden beslist op basis van de stellingen en de feiten en omstandigheden die door beide partijen over en weer naar voren worden gebracht en waarover door partijen ten overstaan van de rechter wordt gedebatteerd. In zodanige procedure bestaat dus alle ruimte tegen de opvatting van [betrokkene] in te brengen wat de klagers dienstig voorkomen.”

De Hoge Raad overweegt in rov. 6.5 dat onvoldoende grond bestaat om aan te nemen dat de gewraakte column aan het Parket of aan andere met rechtspraak belaste ambtenaren kan worden toegerekend. Er is onmiskenbaar sprake van een persoonlijke, onafhankelijke bijdrage aan het vrije juridisch-wetenschappelijke discours. Het feit dat de auteur tevens de functie bekleedt van A-G maakt dit niet anders, nu die functie uit haar aard niet rechtsprekend is en ook bij de directe vervulling daarvan ruimte laat voor het laten doorklinken van persoonlijke opvattingen.

De Hoge Raad komt daarom, in navolging van de conclusie van de Procureur-Generaal, tot het oordeel dat de A-G zich jegens de klagers niet onbehoorlijk of klachtwaardig heeft gedragen zoals bedoeld in art. 13f, eerste lid Wet RO. De klachten worden daarom door de Hoge Raad ongegrond verklaard.

Share This