Https://cassatieblog.nl maakt gebruik van cookies voor webanalyse en social media sharing. Google Analytics analyseert met behulp van cookies hoe de website wordt gebruikt. Daarnaast toont Https://cassatieblog.nl knoppen om informatie te delen op sociale media. Deze knoppen worden enkel weergegeven als u toestemming geeft cookies te plaatsen op uw computer. Meer informatie vindt u in ons Privacyverklaring.
weigeren accepteren

De Hoge Raad over de reikwijdte van het begrip “bodem van de belastingschuldige”

CB 2014-84 Geplaatst op 18 april 2014 door

HR 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:896 (Ontvanger/Horeca Holding c.s.)

Voor zover de curator op het perceel van de belastingschuldige handelingen verricht die strekken tot beheer en vereffening van de failliete boedel als bedoeld in art. 68 Fw, dient tot uitgangspunt dat niet reeds op die enkele grond sprake is van bodem van de belastingschuldige in de zin van art. 22 lid 3 Iw 1990. Voor zover de curator echter op het perceel van de belastingschuldige handelingen verricht tot voortzetting van diens bedrijf als bedoeld in art. 98 Fw, brengt dat in beginsel wel mee dat sprake is van diens bodem in de zin van art. 22 lid 3 Iw 1990.

Het bodemrecht van de Ontvanger

In art. 22 lid 3 Invorderingswet 1990 (hierna: Iw 1990) is het bodemrecht van de Ontvanger neergelegd. Het bodemrecht geeft de Ontvanger de mogelijkheid zich voor een aantal “zakelijke” belastingschulden (na het leggen van bodembeslag) te verhalen op bepaalde zaken die zich op de bodem van de belastingschuldige bevinden (ook wel “bodemzaken” genoemd), maar die toebehoren aan een derde.  Het wettelijk uitgangspunt is dat verhaal op alle bodemzaken van derden mogelijk is indien aan de voorwaarden van art. 22 lid 3 Iw is voldaan. Centraal in deze zaak staat de reikwijdte van het begrip“bodem van de belastingschuldige” als bedoeld in art. 22 lid 3 Iw 1990.

De onderhavige zaak

De feiten luiden als volgt. FHL Horeca B.V. (hierna: FHL) heeft in een pand te Hengelo een café geëxploiteerd. FHL had in haar café de beschikking over een bedrijfsinventaris, die haar niet in eigendom toegehoorde. De bedrijfsinventaris was haar in het kader van een franchiseovereenkomst door Vier Jaargetijden Franchise B.V. ter beschikking gesteld, die op haar beurt deze zaken door Vier Jaargetijden Hengelo ter beschikking gesteld had gekregen.

Op 9 mei 2007 is FHL in staat van faillissement verklaard. Als gevolg van de faillietverklaring is de franchiseovereenkomst met onmiddellijke ingang geëindigd. FHL heeft per datum faillissement de exploitatie van haar café gestaakt. De curator heeft de onderneming niet voortgezet.

Na de faillietverklaring heeft de Ontvanger, voor het verhaal van onbetaald gelaten belastingschulden van FHL, bodembeslag gelegd op de zich in het pand bevindende bedrijfsinventaris. Horeca Holding, enig aandeelhouder en bestuurder van Vier Jaargetijden Hengelo en (tot 31 augustus 2007) middellijk bestuurder van Vier Jaargetijden Franchise B.V., heeft tezamen met Vier Jaargetijden Hengelo op de voet van art. 435 lid 3 Rv verzet gedaan tegen verhaal van de Ontvanger op de bedrijfsinventaris. Hierdoor is het executoriaal bodembeslag van rechtswege omgezet in conservatoir beslag. In deze procedure vordert de Ontvanger te bepalen dat Horeca Holding c.s. de executie door de Ontvanger van de voor (het verhaal van) belastingschulden van FHL in beslag genomen bodemzaken moet dulden.

Oordelen rechtbank en hof

De rechtbank heeft de vordering afgewezen op de grond dat de bedrijfsinventaris zich ten tijde van de beslaglegging niet meer bevond op de bodem van FHL, zodat geen sprake is van bodembeslag. De Ontvanger is van dat vonnis in hoger beroep gekomen.

Het hof heeft vooropgesteld dat uit het arrest HR 18 oktober 1991, NJ 1992/298 (Big Dutchman/Ontvanger) volgt dat sprake is van “bodem”, indien het perceel op het tijdstip van de beslaglegging feitelijk in gebruik is bij de belastingschuldige en hij daarover onafhankelijk van anderen de beschikking heeft, waarbij naast de feitelijke omstandigheden ook de rechtsverhoudingen tussen de betrokken partijen in aanmerking kunnen worden genomen (r.o. 4.4.).

In r.o. 4.5 heeft het hof overwogen dat, nu FHL per faillissementsdatum de exploitatie van de in het perceel uitgeoefende onderneming had gestaakt, zij het perceel niet meer feitelijk in gebruik had. Vervolgens heeft het hof zich gebogen over de vraag of de handelingen die de curator op het perceel heeft verricht, tot (relevant) gebruik kunnen leiden dat voldoende is om het bestaan van bodem van de belastingschuldige (lees: FHL) aan te kunnen nemen.

Het hof heeft overwogen dat uit het enkele feit dat de curator, zoals hij heeft verklaard, na het faillissement de sleutels van het pand van de bestuurder van FHL had gekregen, niet volgt dat, zoals de Ontvanger heeft gesteld, de bestuurder van FHL nog onafhankelijk van anderen het pand tot zijn beschikking had en dat mede vanwege de nog aanwezige administratie en zaken van de failliet het nog de bodem van de belastingschuldige betrof.  Ook het feit dat de curator het pand diverse keren heeft bezocht voor meerdere doeleinden, waaronder de verkoop van de aldaar aanwezige voorraden, maakt nog niet dat daarmee tot bodem van FHL ten tijde van de beslaglegging geconcludeerd kan worden. Uit de verklaring van de curator volgt immers niet, dat de administratie die zich in het pand bevond door de curator (bedrijfsmatig) werd gebruikt. De enkele omstandigheid van “enige administratie (…) (kasboek, facturen en dergelijke)”, zoals de curator heeft verklaard, is onvoldoende om daarvan uit te kunnen gaan, aldus het hof in r.o. 4.5.

Gelet op het voorgaande heeft het hof geoordeeld dat de door de curator in zijn verklaring genoemde omstandigheden, ook in onderling verband gezien, niet tot (relevant) gebruik van de curator kunnen leiden dat voldoende is om het bestaan van “bodem van de belastingschuldige” aan te kunnen nemen.

Het geding in cassatie

In cassatie klaagt de Ontvanger dat het hof, gelet op de in de verklaring van de curator genoemde omstandigheden, ten onrechte tot de slotsom is gekomen dat geen sprake is van “bodem van de belastingschuldige” en aldus een te enge uitleg heeft gegeven aan dat begrip.

In cassatie betoogt de Ontvanger onder meer dat enig gebruik van het perceel door de curator voldoende is om het als bodem van de belastingschuldige aan te merken, althans dat  als regel of uitgangspunt moet worden aanvaard dat daartoe voldoende is dat de curator op het perceel activiteiten verricht tot beheer en vereffening van de boedel (art. 68 Fw). Onder activiteiten in het kader van beheer en vereffening in de zin van voornoemd artikel wordt bijvoorbeeld verstaan het verkopen van voorraden of het in staat stellen van derden de aan hen toebehorende zaken op te halen, ongeacht de omvang van die activiteiten.

De Hoge Raad stelt in r.o. 3.5 voorop dat de Ontvanger terecht niet opkomt tegen de door het hof in r.o. 4.4. omschreven maatstaf uit het arrest Big Dutchman/Ontvanger. De Hoge Raad overweegt in r.o. 3.6 vervolgens dat het voornoemde  betoog van de Ontvanger in zijn algemeenheid onjuist is. In dat kader overweegt de Hoge Raad:

“Voor zover de curator op het perceel handelingen verricht die strekken tot beheer en vereffening van de failliete boedel als bedoeld in art. 68 Fw, dient tot uitgangspunt dat niet reeds op die enkele grond sprake is van bodem van de belastingschuldige in de zin van art. 22 lid 3 Iw 1990. Voor zover de curator echter op het perceel van de belastingschuldige handelingen verricht tot voortzetting van diens bedrijf als bedoeld in art. 98 Fw, brengt dat in beginsel wel mee dat sprake is van diens bodem in de zin van art. 22 lid 3 Iw 1990.”

Uit bovenvermeld oordeel van de Hoge Raad kan aldus worden afgeleid dat handelingen die de curator in het kader van beheer en vereffening (art. 68 Fw) verricht, niet per definitie meebrengen dat sprake is van bodem van de belastingschuldige, terwijl dat bij handelingen gericht op voortzetting van het bedrijf van de gefailleerde (art. 98 Fw)  in beginsel wel zo is.

Ten slotte oordeelt de Hoge Raad in r.o. 3.7 dat – anders dan de Ontvanger betoogt – de enkele aanwezigheid van (een gedeelte van) de administratie van de belastingschuldige op het perceel waarop voorheen de onderneming van de belastingschuldige werd geëxploiteerd, onvoldoende grond is voor de conclusie dat sprake is van bodem van de belastingschuldige.

De Hoge Raad verwerpt – conform de conclusie van A-G Rank-Berenschot – het beroep.

De Ontvanger is in cassatie bijgestaan door Hans van Wijk en Gijsbrecht Nieuwland, en in feitelijke instanties door Arno Voerman.

email print